Johan Verminnen en het statuut van de artiest

"Wij hebben nood aan jeugdidolen die in het Nederlands zingen"

Johan Verminnen is dertig jaar zanger en dat viert hij met een nieuwe cd en een toernee. Vorige vrijdag deed de achtenveertigjarige chansonnier Leuven aan. De Brusselaar is sedert enige jaren ook bezig strijd te voeren voor een beter statuut voor artiesten. Daar is hij drie dagen per week mee bezig. In 2000 breidt Verminnen zijn aktieterrein uit: hij gaat dan de programmamakers van radio en teevee overtuigen om het Nederlandstalig lied te promoten.

Johan Verminnen: «De Vereniging van Zangers en Muzikanten (Zamu) wil vooral fiskaal en juridisch advies geven: wij lezen platenkontrakten na en proberen er de angels uit te halen. De platenindustrie ziet ons niet altijd zo graag. We geven info-avonden over de muziekuitgeverij, hoe je met een demo bij een platenfirma geraakt en specialisten komen uitleggen hoe het zit met de BTW-wetgeving voor artiesten en dergelijke. We willen natuurlijk het statuut van de artiest verbeteren.»

«Een koninklijk besluit uit 1969 bepaalt het statuut van karakterdanseressen en schouwspelartiesten. Men beschouwt artiesten als bedienden en de organisator van een evenement als de werkgever die voor zijn bedienden een RSZ-nummer moet aanvragen. Maar geen enkele organisator doet dat, zodat het KB al dertig jaar onwerkbaar is. Wij willen het onder andere uitbreiden met de mogelijkheid tot zelfstandigheidsverklaring en ook dat de manager of impressario als fiktieve werkgever kan fungeren. Soms wil de tussenpersoon dat niet doen, voor zulke gevallen zou er een speciale sel bij de RSZ moeten komen.»
Veto: Welke gevolgen heeft de huidige wetgeving voor een artiest?
Verminnen: «Suksesvolle mensen verenigen zich of fungeren als zaakvoerders van vennootschappen. Degenen die niet het geld hebben om zich te verenigen, zitten volledig in de illegaliteit. Ze kunnen nooit genieten van werkloosheidsuitkeringen, komen nooit aan hun aantal dagen, hebben geen werkgever die hen wil inschrijven. Ik geef jonge mensen meestal de raad een halftijdse job te zoeken en de rest van hun tijd te spenderen aan hun muziek tot het moment waarop die muziek rendabel is.»
«Ik denk niet dat we een vangnet moeten maken voor mensen die de maatschappij willen laten betalen als zij hun hobby uitoefenen. Maar als iemand op zijn stempelformulier een kruisje zet de dagen dat hij gaat spelen, dan is het korrekt dat hij die dag geen stempelgeld krijgt, want hij verdient op dat moment een loon als muzikant.»

Daglicht

Veto: Hoe komt het dat men al dertig jaar aan het sukkelen is?
Verminnen: «Er wordt geen overeenstemming bereikt. Het is een communautaire kwestie -- hoe vreemd dat ook mag lijken. Vlamingen zijn individualistisch ingesteld en willen keuzemogelijkheden: zelfstandigheid moet kunnen en ook andere personen dan de organisator moeten zich kunnen inschrijven. Langs Waalse kant was er de Parti Socialiste en de FGTB (socialistische vakbond in Wallonië): als er iemand zelfstandig wordt verliezen zij volgens hun oud principe een gesyndikeerde. Daarom hebben zij dat altijd geblokkeerd en daar mogen ze fier op zijn moet ik zeggen. Dat is nu hopelijk aan het veranderen.»

«Bert Anciaux (Vlaams minister van Kultuur) kan het statuut van de muzikanten absoluut niet regelen, hij mag er zich zelfs niet mee moeien, het is namelijk een nationale materie. Dus wij moeten met onze Waalse kollega's overeenkomen en dat proberen wij nu te doen. We spreken met die mensen en zoeken naar een tussenweg. Op dit ogenblik trouwens bestuderen drie professoren, waaronder professor Van Raemdonck van de KU Leuven, een mogelijk nieuw statuut.»
Veto: Hoe oefent u druk uit?
Verminnen: «Ik ga naar alle vergaderingen, zo'n zestig per jaar. Ik ben een specialist geworden: ik ken al die wetsvoorstellen en ik ga met de mensen praten. Frank Vandenbroucke (federaal minister van Sociale Zaken) nodigde mij uit voor een officieus gesprek. Hij wil iets aan de situatie veranderen, maar ik heb hem gezegd: "je bijt daar vlug je tanden op kapot". Hij beseft dat. Met Laurette Onkelinx (federaal minister van Werkgelegenheid) wou ik ook praten om mijn ervaringen mee te delen. Een maand geleden schreef ik haar in mijn beste Frans een brief maar ik heb nog geen antwoord gekregen. Dat vind ik wel een beetje vreemd! Onkelinx doet dingen die niet juist zijn. Zij wil stempelgerechtigden wel hun artistieke aktiviteit laten doen na zeven uur 's avonds. Maar wat doe je met een schilder die daglicht nodig heeft?»
Veto: Wanneer is Zamu opgericht?
Verminnen: «Wij hebben dat opgericht in 1992. Ik werd gebeld door de Internationale Vereniging voor Platenindustrie. Ik heb gezegd dat ik niet het woord kon voeren namens de muzikanten, maar alleen namens mijzelf. Zo is de idee ontstaan een vereniging op te richten. Maar wij verkeren in zeer grote financiële problemen. Wij hebben iemand halftijds in dienst die ik in februari moet ontslaan. Wij vallen buiten het subsidiedekreet omdat ze ons beschouwen als een belangenvereniging.»

Kolonel

Veto: In veel van uw teksten lijkt u de drempel tot Brussel lager te willen maken voor Vlamingen.
Verminnen: «Ik probeer dat omdat velen een grote vergissing begaan met te zeggen dat "ze niet naar Brussel gaan voor hun plezier". Terwijl Brussel de enige stad is van dit land waar twee gemeenschappen elkaar ontmoeten. Ik vind nog altijd dat een Kunstenfestival des Arts belangrijker is dan het Festival van Vlaanderen. Je vindt die dialoog terug in de opvoeringen waar de talen vermengd worden. Wat Arno doet vind ik plezant, al was het maar omdat hij een soort Europese taal maakt en toch Vlaams blijft. Daarin ligt de toekomst.»

«Brussel is de stad van de ontmoeting. Alle vluchtelingen kwamen naar onze hoofdstad. Zelfs Marx heeft er gewoond, de bannelingen van het kolonelsregime van Griekenland ook. Brussel had een heel goede reputatie in de geschiedenis door mensen op te vangen die het elders niet meer zagen zitten. Nu is het wel veranderd, ons land is ontzettend streng. Maar je hebt in Brussel toch nog die kulturen die elkaar ontmoeten. De Brusselse volkswijken zijn de zeven dorpen. Als je naar Elsene gaat, dan kom je voor een stuk in Afrika en voor een stuk bij de noblesse van vroeger: je hebt er prachtige patriciërswoningen. Molenbeek was vroeger een heel Vlaams aspekt van Brussel en ook een gemeente waar veel werkmannen woonden. Vandaar ook dat wij vroeger altijd naar Daringclub Molenbeek gingen kijken en niet naar Anderlecht: dat was voetbal van het geld, van de brouwer Vanden Stock. Als je nu naar Molenbeek gaat, waan je jezelf in Arabië, met de stallekes op de straat. Dat is een enorme rijkdom: je kan de wereld bezichtigen in Brussel.»
Veto: Komen de Nederlandstalige liederen in verdrukking?
Verminnen: «Dat is een enorm probleem. Als je naar de radio luistert krijg je meer en meer de Angelsaksische invloed, soms fantastische muziek, maar het chanson komt niet meer aan bod. Waar het in se altijd over zou moeten gaan is de diversifiteit van de kulturen. Wij moeten Baskische liederen kunnen horen, men moet een Vlaams lied kunnen horen in Baskenland. De RTBF zou ook Napolitaanse en Nederlandstalige liederen moeten draaien. Als ze dat niet doen dan vervreemden wij allemaal van elkaar.»
«Ook in het Nederlandstalig lied is er een enorme vervlakking. Omdat de commerce moet zegevieren. De platenmaatschappijen zitten met piraterij -- via de MP3's downloadt men langs alle kanten -- en verder dringen de moederfirma's hen angelsaksische produkten op. Zij krijgen listings waar ze aan moeten beantwoorden en zo wordt het lokaal produkt weggedrukt. In het jaar 2000 ga ik ook strijden voor het Nederlandstalige lied. Singer-songwriters in het Nederlands moeten kunnen blijven bestaan. Vanaf januari ga ik gesprekken voeren met de mensen die verantwoordelijk zijn voor de programmatie van radio en televisie. Ik ga hen kleine en eenvoudige voorstellen doen die toelaten om zonder grote ingreep in hun programma's toch de aandacht te vestigen op het Nederlandstalige lied. Bijvoorbeeld voor elke eerste nieuwsuitzending een clip van een Nederlandstalig lied. Een clip per week en na twee maanden een programma op primetime met al de clips, om maar iets te zeggen.»

Socialist

Veto: Kan het Nederlandstalige lied opnieuw een onderdeel worden van de jeugdkultuur?
Verminnen: «Het zal afhangen van een paar talentvolle jonge mensen die moeten opstaan. Toen ik dertig jaar geleden begon, was ik een jonge man, mijn publiek was ook jong en wat ik deed was in de mode. Ik was een jeugdidool. Nu ben ik een achtenveertig-jarige zanger waar mensen van allerlei slag naar komen kijken. Wij hebben nood aan jeugdidolen die opnieuw in het Nederlands zingen.»
Veto: U heeft vorige week de Van Ackerprijs gekregen. Daar hadden wij nog nooit van gehoord.
Verminnen: «Ik ook niet. Maar Tom Lanoye, Hugo Claus en Louis Paul Boon hebben die ook gehad, dus dat moet een goeie prijs zijn.»
Veto: U krijgt wel het label socialist opgeplakt.
Verminnen: «Ja, Achille Van Acker was een van de grote mannen van de SP. Ik heb daarop gereageerd: ik ben een socialist in gedachten maar niet van partijen. Hugo Claus ook niet, Tom Lanoye is eerder Agalev denk ik. Misschien bedoelen ze wel een socialist in gedachten, dan is dat niet slecht. Liever een socialist dan een kapitalist, zeg ik altijd. En liever een geëngageerde gedachte dan een enge, egocentrische idee.»
Veto: Zijn de geëngageerde zangers aan het uitsterven?
Verminnen: «In elk lied zit een boodschap. Het is aan de mens om die te ontrafelen. Als je zingt over je moeder, dan geef je eigenlijk een diepere boodschap mee dan door te zeggen: "Wij willen Tsjetsjenië vrij". Het is misschien beter te zingen over misbedeelde mensen en daardoor het onrecht aan te klagen dan te zeggen: "Er is onrecht". Men moet niet altijd alles illustreren.»
Margo Foubert
Bart De Schrijver



Inhoud