Wordt de afstand tussen het hoger en secundair onderwijs stilaan onoverbrugbaar?

'Misschien moet het hoger onderwijs eens explicieter zijn in wat het verwacht'

23 april 2019
Analyse
Achter de lage slaagkansen in het eerste jaar schuilt een probleem in de voortrajecten van studenten. Die lijken in Vlaanderen steeds minder te beantwoorden aan de uitdagingen van het hoger onderwijs.

Ons onderwijssysteem mag dan wel top zijn in de Europese klas, de afgelopen jaren tonen de cijfers enkele zorgwekkende trends. Vooral in de overgang van secundair naar hoger onderwijs staan nog heel wat werven open, zo tonen nieuwe cijfers.

Waar een diploma ASO in het verleden nog garant stond voor bruisende academische carrière, lijken steeds meer studenten met zulk diploma niet voldoende gewapend voor de uitdagingen van het hoger onderwijs. Van die ASO’ers wist slechts tien jaar geleden nog minstens de helft hun bachelordiploma in drie jaar te halen, momenteel nadert dat cijfer met 39,84% de grens van een derde. 'Dat wil zeggen dat het beginniveau van de studenten lager is dan vroeger', meent Koen Daniëls, Vlaams parlementslid voor N-VA. 

'Studenten hebben dan nog wel altijd een diploma secundair onderwijs, maar we stellen vast dat ze er langer over doen om een diploma hoger onderwijs te halen. Ondanks het diploma secundaire onderwijs beschikken ze dus niet noodzakelijk over de noodzakelijke basiskennis en competenties om te slagen in het hoger onderwijs.'

(lees verder onder de grafiek)

Voor de afzonderlijke opleidingen in het secundair lijken het vooral de opleidingen met een grotere focus op harde wetenschappen en wiskunde die in de klappen delen. Wetenschappen-Wiskunde (van 49% naar 41%), Economie-Wiskunde (van 44% naar 37%) en vooral Latijn-Wetenschappen (van 51% naar 42%) lijken het zwaarst getroffen, terwijl Latijn-Talen en Humane Wetenschappen met een daling van elk twee procent relatief standhouden. Let wel: in absolute termen bieden de richtingen met focus op wetenschappen wel nog steeds een betere basis. Een volledig overzicht vindt u onderaan het artikel.

Pact

Dat bevestigt ten dele het plaatje van de student die langer studeert, maar ook structureel komen hier heel wat problemen naar boven. Niet alleen daalt de onderwijskwaliteit in Vlaanderen volgens rankings als de PISA en TIMSS jaar na jaar, evenzeer blijkt de wisselwerking tussen universiteiten en middelbare scholen minimaal. Reken daar nog eens bij dat de slaagcijfers over drie jaar voor buitenlandse en Waalse studenten stabiel blijven, en het wordt duidelijk dat een groot deel van de problemen rond slaagkansen zich in dat voortraject bevinden.

'We hebben eigenlijk nood aan een soort pact tussen het secundair en het hoger onderwijs'

Bram Spruyt, onderwijssocioloog VUB

Dat ligt daarom nog niet noodzakelijk aan de kwalitatieve waarde van de voortrajecten. 'We hebben eigenlijk nood aan een soort pact tussen het secundair en het hoger onderwijs', meent Bram Spruyt, onderwijssocioloog aan de VUB. 'Ik denk dat het hoger onderwijs duidelijker moet zijn over welke specifieke kennis en vaardigheden hun richtingen verwachten van studenten. Dat debat wordt eigenlijk nauwelijks gevoerd terwijl net daar veel meer afstemming mogelijk is.'

Hervorming 

Om de studieduurverlenging tegen te gaan werd vooralsnog vooral gekozen voor een grotere nadruk op oriëntering van toekomstige studenten. Om die reden werd een geleidelijke uitbreiding van niet-bindende toelatingsproeven ook in het huidige regeerakkoord opgenomen. Dit beleid biedt volgens Spruyt geen soelaas: 'Met wat we nu doen met toelatingsproeven en dergelijke meer, doen we eigenlijk het omgekeerde. Daarmee zondert men het hoger onderwijs net verder af. Wel dan zeg ik: misschien moeten we er eerst voor zorgen dat het hoger onderwijs explicieter is in wat ze verwacht.' Aan de hand daarvan zou het secundair onderwijs haar eindtermen dan concreter kunnen aanpassen.

Van verschillende Vlaamse rectoraten krijgen we dezelfde boodschap te horen. 'Als deze cijfers kloppen, moeten we dringend met het secundair onderwijs gaan praten', zegt een vicerector van een Vlaamse universiteit. Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits lijkt alvast tegemoet te komen aan die vraag: 'Volgend jaar vangt de modernisering van het secundair onderwijs aan, mét nieuwe ambitieuze eindtermen.' Daarnaast werd gewerkt aan verschillende oriënteringsproeven om leerlingen bewuster hun studiekeuze te laten maken: 'De proeven geven studenten in spe een duidelijk beeld van wat ze kunnen verwachten in de opleiding en hoe ver ze staan, wat hun sterke en minder sterke punten zijn.'

Dossier > Doorstroom hoger onderwijs

Brussel: het kneusje van het Vlaamse onderwijs?

Gepeild naar de regionale verschillen in studieduur valt vooral de zwakke score van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op. Van de studenten die school hebben gelopen in Brussel haalt een dramatische 17,97% slechts zijn of haar diploma in drie jaar, 20% minder dan de Vlaamse koploper West-Vlaanderen. Één van  de redenen voor dat dramatisch Brussels resultaat moet volgens Daniëls vooral bij de onderwijstaal worden gezocht: ‘Tot spijt van wie het benijdt maar ik kan het alleen maar vaststellen, ook uit de resultaten van de PISA-ranking, dat de kennis van het Nederlands daar een cruciale factor is. Enkel en alleen al door het onvoldoende beheersen van de onderwijstaal stellen we vast dat een student op de leeftijd van vijftien tot 3,5 jaar leerachterstand kan oplopen, uitgezonderd socio-economische factoren’ 

Een tweede factor ziet Daniëls in de lagere onderwijskwaliteit van het Waalse onderwijs, dat ook in Brussel wordt ingericht. ‘Als die studenten dan vanuit een niet-Nederlandse school naar een Vlaamse universiteit gaan, dan weten we hoe dat eruitziet.’ Maar Sebastiano Cincinnato (VUB) nuanceert:  ‘Als je de vergelijking maakt tussen stadsgewesten in plaats van provincies worden de verschillen veel kleiner. Het is eerder een stedelijke problematiek dan wat deze grafiek doet uitschijnen, een Brusselse problematiek. De trend blijft wel dat studenten die in steden secundair onderwijs hebben gelopen wat lagere slaagkansen hebben in het hoger onderwijs. Scholen in steden hebben een ander en diverser doelpubliek, en andere uitdagingen. Dat maakt het misschien ook uitdagender om leerlingen voor te bereiden op het hoger onderwijs.’