Voorschriften wetenschappelijke integriteit nog weinig afgedwongen

Fraudebestrijding klimt wel hoger op agenda

Bij de opening van het academiejaar maakte rector Luc Sels van wetenschappelijke integriteit een van zijn belangrijkste strijdpunten. Een jaar later blijven er echter nog heel wat vragen over.

Plagiaat is voor studenten hoofdzonde nummer één. Wie erop betrapt wordt, riskeert een plekje aan de schandpaal en in het ergste geval een uitsluiting uit de universiteit. Op vlak van inbreuken op wetenschappelijke integriteit is er voor studenten vaak zero tolerance. Tegelijkertijd wekt een geval zoals dat van Marc Hooghe bij veel studenten de indruk dat er voor soortgelijke problemen bij vast benoemde onderzoekers meer tolerantie is. Zonder al te veel uitleg aan de buitenwereld over de zwaarte van de feiten, is Hooghe vandaag immers nog steeds professor. Het creëert ook bij het academisch personeel een gevoel van straffeloosheid.

Luc Sels beloofde in zijn openingsspeech van dit academiejaar alvast van wetenschappelijke integriteit aan de KU Leuven een topprioriteit te maken. Voor een definitie van integriteit richtte hij zich daarbij tot motivational speaker Charles Marshall: ‘doing the right thing when you don’t have to’. Omdat het aantoont dat er een inspanning voor vereist is. Integriteit is een morele houding die van onderzoekers geëist wordt, maar die helaas niet in alle gevallen een vanzelfsprekendheid is.

Vandaar dat in 2007 de Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit (CWI) in het leven geroepen werd om de normen rond wetenschappelijke integriteit te specificeren en de naleving ervan op te volgen. Een stand van zaken leert nu dat er vooral op vlak van preventie het afgelopen jaar veel actie ondernomen werd. Bij de bestrijding van laakbare onderzoekspraktijken blijkt er nog meer werk aan de winkel. Vooral professoren lijken nog vaak buiten schot te blijven.

Weinig meldingen

De CWI onderscheidt globaal genomen inbreuken op vier fronten. De hoofdzonden zijn falsificatie, fabricatie en plagiaat (FFP). Meestal komen echter zogenaamde QRPs (questionable research practices) in het vizier, praktijken die te maken hebben met ongelegitimeerd auteurschap of onzorgvuldig omspringen met data. Dit zijn de zogenaamde ‘grijze zones’.

Vooral die laatste vormen van fraude blijken vaak niet gesignaleerd te worden. Jaarlijks komen er bij de commissie slechts vijf tot tien meldingen binnen van inbreuken op wetenschappelijke integriteit, grotendeels over auteurszaken. Grove FFP-inbreuken zouden in de realiteit slechts sporadisch voorkomen. Tegelijk geeft maar liefst een op drie onderzoekers zelf aan zich wel eens schuldig te maken aan twijfelachtige wetenschappelijke praktijken. Volgens Kris Dierickx, hoogleraar Medische Ethiek, ligt dat reële cijfer zelfs nog hoger.

‘Onze promotor had ons meegenomen naar een infosessie over integriteit, maar daaruit bleek al gauw dat we helemaal opnieuw moesten beginnen met het verzamelen van onze data’

Een rondvraag leert alvast dat er wel heel wat klachten zijn, maar dat deze vaak niet gemeld worden. Een reden daarvoor zou kunnen zijn dat klachten niet anoniem ingediend kunnen worden, tenzij de vicerector Onderzoeksbeleid een uitzondering maakt. Volgens Dierickx klopt dat echter niet: ‘Mensen die melding doen, zijn - indien ze dat wensen - alleen bekend bij het meldpunt, dus bij één persoon op de hele universiteit. Verder worden namen nooit doorgegeven. Ik denk dat je dat anoniem mag noemen.’

Grijze zones

Een ander probleem van de commissie is dat ze lang niet bij iedereen bekend is. ‘We proberen daaraan te werken, maar het zou wel kunnen dat we nog niet bij iedereen gekend zijn', zegt Inge Rerouge, secretaris van de commissie. 'We hebben een website, maar de vraag is wie die kent.’ Daarbovenop komt dat niet alle onderzoekers weten wat de normen precies zijn. Bij een doctoraatsstudent uit Gasthuisberg klinkt het: ‘wat als grijze zone beschouwd wordt, zien de meesten niet als 'verkeerd'.’

Het beleid zet daar de laatste tijd wel meer op in, met opleidingen en infosessies voor promotoren en doctorandi. En dat blijkt nodig. ‘Onze promotor had ons meegenomen naar zo’n sessie, maar daaruit bleek al gauw dat we eigenlijk helemaal opnieuw moesten beginnen met het verzamelen van onze data’, zegt de doctoraatsstudent. ‘We hadden de regelgeving rond privacy zonder het te weten volledig aan onze laars gelapt en dat wist onze promotor zelf ook niet.’

‘Ik weet van collega’s in andere disciplines dat zij op publicaties verschijnen waar zij hooguit esthetische aanpassingen aan hebben gedaan’

Hoewel de CWI zelf benadrukt dat preventie een uitgangspunt is, blijft hun hoofdtaak wel de behandeling van klachten. Lerouge: ‘De CWI werkt op basis van een melding, dan pas wordt een onderzoek gestart’. De basiswerking van de commissie is daardoor vooral reactief. Vorig jaar zei ze daarover nog in Veto: ‘Au fond komt de commissie er slechts aan te pas als het te laat is.’ Actief op zoek gaan naar gevallen van fraude is vooralsnog geen prioriteit.

Esthetische aanpassingen

Onderzoekers hebben er in ieder geval baat bij hun naam onder zoveel mogelijk artikels te plaatsen. Publicaties tikken immers aan bij het zoeken naar onderzoeksfondsen en internationale erkenning. Guest authorship, waarbij een naam boven een publicatie wordt gezet omwille van invloed of prominentie, zonder eigenlijke substantiële medewerking, glipt op die manier gemakkelijk tussen de mazen van het net.

‘Ik weet van collega’s in andere disciplines dat zij op publicaties verschijnen waar zij hooguit esthetische aanpassingen aan hebben gedaan’, zegt een hoogleraar uit Humane Wetenschappen. ‘Dat is voornamelijk een probleem in de Biomedische Wetenschappen.’ Toch blijven die zaken dus vaak nog onder de radar.

‘Ik ga niet mee in het doom and gloom sfeertje. Natuurlijk staat er ons wel het een en ander te doen wat betreft sloppy science'

Luc Sels, rector KU Leuven

Een onderzoeker die zelf bij experts informatie wilde inwinnen over zo’n ‘grijze zone’-geval, kreeg bijvoorbeeld al snel te horen dat het erg moeilijk zou worden om klacht neer te leggen. ‘De gedupeerde collega voor wie ik wilde opkomen, werkt in een discipline met bepaalde tradities. Als we een procedure zouden opstarten, konden we net zo goed heel het departement meesleuren, kreeg ik te horen.’

Vertrouwelijkheid of doofpotcultuur?

Hoewel er dus duidelijke voorschriften bestaan, hebben machtige individuen er geen belang bij dat ze worden gevolgd en worden ze bovendien weinig afgedwongen. Ook zijn er weinig gevallen van fraude die onder de aandacht komen, ‘Omdat de KU Leuven daar gebonden is door allerlei regels en procedures die ook door advocatenteams van machtige beklaagden gebruikt kunnen worden om druk te zetten’, stelt een onderzoeker die van enkele gevallen op de hoogte is. ‘Bij een aantal “gewone academici” ontstaat zo een indruk van straffeloosheid. Er wordt ook geen ruchtbaarheid gegeven aan de sancties die er wel vallen.’

Vanuit het beleid klinkt er vooral daadkracht. De voornaamste punten voor rector Luc Sels zijn een herevaluatie van het tuchtreglement en de vraag rond vertrouwelijkheid. ‘Ik ga niet mee in het doom and gloom sfeertje. Natuurlijk staat er ons wel het een en ander te doen wat betreft sloppy science. We zijn ook toe aan een grondige discussie over de tuchtprocedure en over de vraag of de voorziene sancties voldoende gepast zijn.’

'Brondata blijven nu al vaak beschikbaar voor de buitenwereld. Allerlei evoluties doen de geneigdheid om data te vervalsen slinken'

Luc Sels, rector KU Leuven

‘Er is geen sprake van een doofpotcultuur’, stelt Sels. ‘Maar ik weet waar het vandaan komt en naar welke casussen er dan verwezen wordt.’ De regels rond vertrouwelijkheid zijn momenteel erg strikt en staan niet toe openlijk te communiceren over sancties. ‘Dat levert de instelling problemen op omdat het zo overkomt alsof er geen of slechts lichte sancties uitgesproken zijn en alsof we iets te verbergen hebben. Terwijl er echt wel serieuze sancties zijn.’

‘Vertrouwelijkheid is logisch’, vult Sels aan, ‘maar met de directe getroffenen en het recht op informatie van de directe collega’s in het achterhoofd moet het debat daarover wel gevoerd worden. Het gevoel van straffeloosheid moeten we willen voorkomen.’ Ook Dierickx vindt het belangrijk dat de universiteit over dergelijke zaken op zijn minst in algemene termen communiceert, ‘opdat collega’s of studenten kunnen leren uit de fouten van anderen’.

‘Trust us, we are a university’

Hoe hardnekkig ook, de rector is er gerust in dat de problemen in de toekomst steeds beter aangepakt zullen worden. ‘Zaterdag namen wij met de 23 LERU-rectoren (League of European Research Universities, red.) nog duidelijke engagementen op rond open science en de evolutie naar een open research data. Brondata blijven nu al vaak beschikbaar voor de buitenwereld. Allerlei evoluties doen de geneigdheid om data te vervalsen slinken. Je ziet dat ook in metastudies. Het neemt niet weg dat je de teugels natuurlijk strak moet houden.’

Ook over Lirias, de eigen database van de universiteit waarop alle publicaties van haar onderzoekers opgeladen moeten worden, loopt een discussie rond meer transparantie. Wellicht moeten onderzoekers daar binnenkort specifiek aangeven wat hun precieze bijdrage aan een onderzoek was. ‘Als je dan aangeeft dat je verantwoordelijk was voor de data of de kwaliteitscontrole daarop, weet je bij fabricatie of falsificatie al makkelijker wie je eerst moet aanspreken. Vooral bij academische tijdschriften is deze trend zichtbaar, ik vind dat een goede evolutie.’