Rik Torfs: ‘Wat moet je met een tegenstander die zegt: Eigenlijk ben ik het met u eens, maar toch moet u weg?’

Verkiezingsinterview

23 april 2017
Interview
Auteur(s): Simon Grymonprez , Nora Sleiderink
Rik Torfs gaat voluit voor een tweede termijn als rector. Hoog tijd voor een gesprek over vier jaar rectorschap.

Rector Torfs, dit is ondertussen uw derde campagne.
Rik Torfs: ‘Als rector, maar ik heb er in de politiek ook gehad natuurlijk. (lacht)'

Op welke manier verschilt deze campagne van de vorige?
‘Goh, deze campagne is een beetje een rare campagne, omdat ik met een tegenkandidaat zit die telkens zegt dat hij het met mij eens is. Dat is nogal vermoeiend.’

‘Als ik bijvoorbeeld denk aan de campagne van 2005: dat was een heel lange campagne, maar wel inhoudelijk sterk. Daar zat wel wat in. Ik heb daar ook bijvoorbeeld Bart De Moor voor het eerst beter leren kennen. Maar ook Marc Decramer (gedelegeerd bestuurder van UZ Leuven, red.) was toen mijn tegenstander. Met hem werken we nu uitstekend samen in het ziekenhuis.’

'Dit is een rare campagne. Ik zit met een tegenkandidaat die telkens zegt dat hij het met mij eens is. Dat is nogal vermoeiend'

U verloor toen, maar noemde zich de morele winnaar in Veto
‘Ja, er werd toen ook in Veto geschreven dat ik volledig kansloos was en een clownkandidaat was.’

Niet alleen in Veto toch?
‘Wel, je mag je credentials toch niet verwaarlozen. Het was vooral Veto. In Veto werd de hele tijd gezegd dat men mijn kandidaatstelling niet serieus kon nemen. Maar vorig jaar kregen de ploeg en ik van Veto wel goede punten. Dat moet ook gezegd.’

‘De vorige verkiezingen van 2013 waren minder lang, maar die waren in het algemeen wel vrij sportief. Nu vind ik het heel bizarre verkiezingen. Wat moet je met een tegenstander die zegt: eigenlijk ben ik het met u eens, maar toch moet u weg?’

Als je de twee programma’s naast elkaar legt, is toch duidelijk dat Sels een andere visie heeft op waar de universiteit heen moet?
‘Welke andere visie dan?’

Op het vlak van internationalisering is er een groot verschil.
‘Maar waar dan?’

Professor Sels lijkt ambitieuzer en kijkt meer naar de top.
‘Ik ontken dat volledig. Hij schrijft dat. Maar wij doen dat in de praktijk toch ook? Alsof wij niet ambitieus zouden zijn en niet naar de top kijken. Tegelijk zegt hij ook: Ik wil met Université Catholique de Louvain (UCL) werken, die behoorlijk ver onder ons staat. Ik werk ook graag en goed samen met de UCL. Maar je moet kijken naar wat retoriek is, en wat werkelijkheid.’

'We staan op nummer 40 wereldwijd. Maar onze ambitie is niet om de beste van de wereld te worden, of ons te meten met Amerikaanse universiteiten. Onze visie is dat we ons expliciet als Europese topuniversiteit willen profileren. En volgens de Times Higher Education ranking zijn we dat ook. In continentaal Europa, belangrijk, na de Brexit, zijn we binnengedrongen in de top 5. We zijn ook de enige universiteit op het Europees vasteland die goed scoort in al haar disciplines! Luc Sels wil prioriteiten leggen. Dat is dan altijd ten koste van andere disciplines, maar waarom zouden we dat doen als al onze disciplines goed scoren? Dat is wat de rankings ons vertellen.'

'Je moet kijken naar wat retoriek is, en wat werkelijkheid'

Er is ook een verschil in stijl. Erkent u dat?
‘Wel, dat is inderdaad het grote verschil. Hij pleit duidelijk voor een rector die niet tussenkomt op terreinen die niet tot zijn vakgebied behoren, waar hij het rectorschap dan wel tot zijn vakgebied rekent.’

‘In die zin zie je daar een breuklijn, niet enkel met mij, maar ik denk ook met Herman van Goethem (rector van de Universiteit Antwerpen, red.) en Caroline Pauwels (rector van de Vrije Universiteit Brussel, red.). Dat zijn rectoren die recenter zijn verkozen en die eigenlijk het wat nieuwere beeld van de rector belichamen.’

U noemt dat ‘de nieuwe rol van de rector’?
‘Ik zie dat als een modernere visie op het rectorschap. De rector heeft een verbindende functie en moet aan community building doen, ook naar buiten toe: tegenover de media, maar vooral natuurlijk tegenover de politiek.’

Maar voor alle duidelijkheid, u ziet weinig verschil in inhoud tussen u en Luc Sels?
‘Ik zie het vooral als een kwestie van profiel. Hij is een manager, ik probeer eerder initiatieven die van onderuit komen te verbinden. Ik zie dat ook in de structuurhervormingen die hij aankondigt. Hoewel hij daar niet onmiddellijk op inzoomt in zijn programma, schemeren die wel doorheen de tekst: een vergroting van de Academische Raad (centraal orgaan van de KU Leuven waar alle geledingen samenkomen, red.), het GeBu (het Gemeenschappelijk Bureau, de facto hoogste beslissingsorgaan, red.) dat elke faculteit en departement jaarlijks apart ontvangt voor een gesprek, alsook een andere compositie voor de Raad van Bestuur die dan ook nog tot een andere werking leidt met meer medici en academici. Ook het Organiek Reglement en de opdrachtverklaring van de KU Leuven wil hij helemaal anders.’

‘Het type leiderschap is een duidelijk verschil. Sels wil meer sturend optreden. Het tweede punt is heel die reeks structuurveranderingen die hij wil doorvoeren. Alle belangrijke organen worden toch getransformeerd in zijn plan?’

Is dat dan geen duidelijke visie?
‘Wel ja, ik denk inderdaad dat het een andere visie is, maar hij zegt dus altijd dat hij akkoord gaat.’

Bedoelt u dat Sels in debatten de verschillen niet goed laat uitkomen?
‘Ja, dat is het punt dat ik wil maken.’

Wat vond u van het eerste debat georganiseerd door de Studentenraad? Het verschil in stijl viel direct op.
‘Het was een zeer goed georganiseerd debat, maar ik moet wel zeggen dat ik meer voorstander ben van kortere interventies, ik ben niet zo’n fan van aparte monologen.’

Tijdens het debat ging u erg persoonlijk in op karaktertrekken van Sels en op zijn prestaties als decaan. Zo vond u dat Sels te weinig actief was in de Academische Raad, behalve als het was om meer geld te vragen voor FEB-professoren. Kunt u dat toelichten?
‘Wat ik daarmee bedoel is dat Sels meer dan acht jaar decaan is geweest en hij dus al veel langer dan ik lid is van de Academische Raad en mede verantwoordelijk voor het beleid. Er zijn dingen die al beslist zijn toen hij er was en die ik zelf achteraf heb moeten uitvoeren.’

‘Ik denk bijvoorbeeld aan de integratie van het ex-hogeschoolpersoneel in de KU Leuven (naar aanleiding van de integratie van enkele ex-hogeschoolopleidingen in de universiteit, red.). Dat raamwerk was er vóór 2013, voordat wij begonnen zijn. Het is toen mee door professor Sels uitgewerkt en goedgekeurd in de Academische Raad.’

Is het daarom dat u hem als rectoraal adviseur integratie heeft aangesteld?
‘Dat wilde ik zeggen, hij is nog steeds rectoraal adviseur voor integratie en heeft ook verdere aanzetten gegeven voor die integratie, waar hij nu dus blijkbaar serieuze kritiek op heeft. Hij mag dat doen, maar we moeten ook durven zeggen dat hij tegelijkertijd mee heeft gewerkt aan dat beleid. Hij kan moeilijk zeggen dat hij in een volledig maagdelijke situatie zit.’

‘Ik wil hem daar niet op aanvallen, maar hij kwam de voorbije vier jaar in de Academische Raad zelf zelden met kritiek. En als hij het woord nam, was het vaak om over de specificiteiten van zijn faculteit te spreken en de hogere weddes die hij daar noodzakelijk acht. Hij drong ook aan op benoemingen in het ZAP vooraleer de betrokkenen een doctoraat hadden behaald.’

'Sels kan moeilijk zeggen dat hij in een volledig maagdelijke situatie zit'

Was het voor u een verrassing dat hij opkomt als rector?
‘Wel nee, het was redelijk duidelijk. Ik heb altijd gedacht dat er wel een tegenkandidaat ging zijn. Ik dacht dat het Peter Lievens of Luc Sels ging worden, ook twee mensen die nauw samenwerken en die in onderlinge afspraak hebben gekozen dat het Sels zou zijn.’

Waarom Peter Lievens?
‘Omdat Peter Lievens in de Academische Raad wat de stem van de oppositie was. Het is ook bekend dat zij al langer compagnons de route zijn. Het zijn mensen die elkaar goed liggen, wat ik niemand verwijt. Ik vind het fantastisch als mensen vrienden zijn. Daar kun je toch niet tegen zijn?’

Iemand trekt de kar

Als u drie zaken moet noemen waarvan u trots bent dat u ze gerealiseerd hebt, welke zijn dat?
‘De verbeterde sfeer. Je vergeet snel dat de zaken hier vier jaar geleden anders waren, want toen ik hier aantrad was op vele plaatsen, zoals in het ziekenhuis, waar de gedelegeerd bestuurder juist ontslagen was, het vertrouwen zoek. Ik denk dat de onderlinge verhoudingen verbeterd zijn en dat in het algemeen de afstand tussen het bestuur en de vloer kleiner is geworden. Ik ben altijd onmiddellijk toegankelijk binnen de week. Dat vind ik belangrijk, omdat die sfeer juist de kans geeft om bottom-up creativiteit te krijgen.’

‘Ik ben ook trots op het dossier van de Instellingsreview (een controle op hoe de KU Leuven de kwaliteit van haar onderwijs garandeert, red.). De kans deed zich voor na de Vlaamse verkiezingen in 2014, en we hebben dat momentum gegrepen.’

Heeft uw ervaring als politicus daarbij geholpen?
‘Dat is evident. Dat zou anders niet gebeurd zijn.’

Vindt u die politieke ervaring en dat netwerk iets positiefs voor het rectorschap tout court?
‘De KU Leuven staat politiek gezien nu echt heel sterk op de kaart, ook op andere gebieden. Neem bijvoorbeeld de contigentering bij Geneeskunde (beperking van de instromende studenten, red.), of die taalvereiste zodat buitenlandse docenten nu geen B2 Nederlands moeten kunnen in drie, maar in vijf jaar. Ook de taaltest Engels voor onze professoren hebben we via een portfoliomethode kunnen oplossen.’

‘Ik was zeker geen goed politicus, hoewel sommige anderen ook slecht waren. (lacht) Maar wat ik daar wel uit heb geleerd, is hoe een politicus reageert. Je moet altijd als je met een politicus in gesprek gaat, kijken vanuit het standpunt van de politicus: wat heeft belang, wat heeft geen belang? Wat is moeilijk, wat niet? Neem bijvoorbeeld die lichte versoepeling van die taalwetgeving: dat lijkt een kleine prestatie, maar dat ligt ongelooflijk gevoelig in een regering met de N-VA.’

Maar is dat dan alleen de taak van de KU Leuven? Moet de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) dat ook niet doen?
‘De VLIR heeft in feite een coördinerende bevoegdheid en moet op sommige terreinen dingen trancheren. Maar als het echt gaat over beslissingen die decretale wijzigingen betreffen… Er moet iémand de kar trekken. Je kunt moeilijk met de vijf rectoren zeggen: nu gaan we eens een algemeen standpunt verdedigen. Dan heb je te veel discussie nodig, te veel vergaderingen.’

'Je kunt moeilijk met de de vijf rectoren zeggen: nu gaan we eens een algemeen standpunt verdedigen'

Luc Sels pleit voor een opwaardering van de VLIR.
‘Ik denk eerlijk gezegd, met alle respect, dat hij daar een niet zo realistisch beeld van heeft. De VLIR functioneert goed, de universiteiten hebben erg goed samengewerkt.’

Is de rivaliteit met de UGent niet opgeflakkerd onder uw rectorschap?
‘Waar haal je dat? Het tegendeel is waar! We hebben nu met de UGent om het half jaar een structureel overleg. Anne De Paepe en ik zijn persoonlijke vrienden, trouwens. Op dat overleg wordt ook alles besproken, en dat kan gaan van van de herindeling van het academiejaar tot het eredoctoraat van Angela Merkel. Onze relaties met de UGent zijn nooit beter geweest.’

Klopt het dat de eredoctoraten eerst elk afzonderlijk zijn aangevraagd?
‘We vernamen van elkaar dat we een eredoctoraat aan Merkel wilden geven, maar dat was nog niet officieel aangevraagd. Toen dachten we: laten we dat samen doen, dat zou toch prachtig zijn?’

Klopt het trouwens dat dat eredoctoraat is aangevraagd voor augustus 2015, het moment van het welbekende ‘Wir schaffen das’, dat centraal stond in het eredoctoraat?
‘Wij zagen haar als iemand die echt nog in Europa geloofde. Je had toen al veel centrifugale krachten. Wij zagen Merkel als de rots in de branding.’

Maar had ze toen niet nog een veel harder imago? ‘Wir schaffen das’ gaf haar plots een menselijk gelaat.
‘Je kunt het ook anders zien: ze had toen een Europees imago, daarna had ze een harder imago door de zaak Griekenland, en dan weer andersom door ‘Wir schaffen das’. Ik ben blij dat ‘Wir schaffen das’ er bij gekomen is.’

Terug naar uw realisaties. Wat ziet u als een derde grote verwezenlijking?
‘Wel, ik denk aan de versterking van onze KU Leuven in het internationale wetenschappelijke landschap. Ik denk dat wij als universiteit qua reputatie vooruitgegaan zijn. Kijk naar de rankings: we zijn er opgeklommen. Zeggen die rankings de volle waarheid? Nee, maar we moeten ze toch vermelden uit respect voor de mensen die er hard aan hebben gewerkt.’

‘Ik denk trouwens niet alleen aan rankings, maar ook aan allerlei partnerschappen. Men werkt heel graag met de KU Leuven samen. We zijn meer dan ooit een leidende universiteit, internationaal en maatschappelijk. Zonder arrogant te zijn.’

Pollefeyt en Gosselink blijven

U staat erom bekend dat u veel ruimte geeft aan de vicerectoren. Is het in termen van campagne voeren niet vervelend om andermans beleid te verdedigen?
'Zo hoort het. Het is 'ons' beleid. Het verschil met iemand die kandidaat is, maar zelf geen rector en iemand die wel rector is, is dat de rector bestuurd heeft met concrete mensen en de andere niet. Uiteindelijk ben je als rector zélf verantwoordelijk voor het hele beleid, voor de vicerectoren die je gekozen hebt, en voor je strafregister (lacht). Dat hoort daar nu eenmaal bij.’

‘Ik ben een loyaal persoon van nature, maar ik ben ook trots op mijn vicerectoren. Ik weet dat de ene al meer kritiek krijgt dan de andere, maar als ploeg hebben wij enorm goed samengewerkt. Er zijn weinig ploegen die op menselijk vlak meer aaneen hingen dan deze. De vorige ploeg bestond uit heel sympathieke mensen, maar als drie mensen vanuit de ploeg opkomen voor rector, wijst dat niet op extreme cohesie.’

Binnen twintig jaar mogen we nog een reünie van de ploeg-Torfs verwachten?
‘Ja, we zullen in huize Avondrood de champagnekurken laten knallen. (lacht) Maar serieus, mensen met wie je zo werkt, dat worden vrienden. Dat kan niet anders.’

Hoe ziet de ploeg er uit als u herverkozen wordt?
‘Internationaal zal niet meer als portefeuille worden bijgevoegd bij een vicerector van de groepen. Ik denk dat internationalisering beter onmiddellijk op het transversale vlak zit in plaats van het te koppelen aan Humane Wetenschappen. Dat was misschien niet de beste oplossing.’

Welke vicerectoren blijven zitten, indien een herverkiezing?
‘Uiteraard zal er geconsulteerd worden, maar ik kan al zeggen dat ik zeker zou willen doorgaan met het duo dat denk ik voor de studenten het belangrijkste was: Didier Pollefeyt (vicerector Onderwijsbeleid, red.) en Rik Gosselink (vicerector Studenten- en Sportbeleid, red.) Twee mensen die ik erg bewonder. Het is een duo dat bovendien heel sterk op elkaar is ingespeeld.’

‘Wat de anderen betreft: er zijn er twee die per definitie niet verder kunnen doen (door emeritaat, red.): Marc Depaepe en Katlijn Malfliet. Danny Pieters aarzelt zelf nog of hij voort wil doen. Wat Wim Robberecht, Georges Gielen en Liliane Schoofs betreft: ook daar zal ik consulteren, maar het is wel de bedoeling om absoluut met hen verder te gaan. Er komen ook vrouwen bij.’

Blijft er een vicerector voor de Kulak?
‘Ik denk dat dat goed is. De Kulak is toch een heel speciale plek, die ons veel mogelijkheden biedt.'

Integratie als werf

Kunt u drie punten geven waarvan u zegt: dit had beter gekund, of dit moet nog beter?
‘De universiteit is, en dat is onvermijdelijk, een trage tanker. Het doorvoeren van veranderingen is soms taai.’

‘Concreet: de integratie van de ex-hogeschoolopleidingen in onze universiteit was heel goed voorbereid ten tijde van Karen Maex. Het was trouwens Luc Sels die dat mee stuurde. Maar je moet rekening houden met de omstandigheden en met het terrein. Je kunt onmogelijk één plan voor al die campussen zomaar uitrollen, ook omdat ze zo verschrikkelijk ingewikkeld en verschillend zijn. In die zin loopt het hele integratieverhaal niet zo super vlug.’

‘Daarom hebben we besloten om de tussenschotten (de aparte financiering voor de campussen, red.) zeker tot 2023 en misschien nog langer te laten bestaan. We willen mensen niet de indruk geven dat ze met het mes op de keel alles voor elkaar moeten krijgen. Ja, het is een traag proces, misschien te traag. Maar ik wil toch herhalen dat we in dat proces niemand laten vallen, noch personen noch richtingen.’

‘Eén voorbeeld: onze campus in Oostende die nu naar Brugge gaat. Die campus is op twintig jaar tijd gedecimeerd. Industrieel ingenieurs zijn qua aantal in het algemeen op achteruit gegaan, maar in Oostende waren ze tot voor kort van 400 naar 40 eerstejaars gegaan in twintig jaar tijd. Dat is betrekkelijk dramatisch. Dit jaar zijn ze verdubbeld naar 80. Daar spelen allerlei factoren: de verhuis naar Brugge, de sterkte van het aanwezige personeel. Maar onze boodschap was: geef het niet te gemakkelijk op. We moeten mensen vertrouwen geven.’

Beschouwt u uw parcours op vlak van integratie als geslaagd?
‘Ik vind dat een werf in opbouw. Ik heb dat uiteraard geërfd, want de integratie is ongeveer gestart samen met onze ploeg. Laten we zeggen: ik zie het als iets dat zeker zal slagen.’

Hoe is de relatie met de hogescholen? Op vlak van studentenvoorzieningen loopt dat soms moeilijk, komt ons ter ore.
‘De relatie met de hogescholen is een andere relatie dan vroeger. Die speelt vooral via de Associatie KU Leuven. Zolang je nog zit met een situatie waar die integratie plaats moet vinden, moeten er veel praktische afspraken gemaakt in de overgangsperiode. Eens dat is gebeurd, heb je minder contact op een aantal punten. Inhoudelijk werken wij het meest samen over onderwijs, zoals de lerarenopleiding of de Instellingsreview.’

‘Op het organisatorische vlak, zoals studentenvoorzieningen (stuvo’s, red.), is het natuurlijk wat anders. Daar spelen soms andere tradities. In Antwerpen heeft Thomas More zélf gezegd dat ze het niet meer optimaal vond om met ons de stuvo’s te organiseren.’

Beschouwt u de niet-gelijkwaardige situatie van studentenvoorzieningen van de KU Leuven als zo’n werf?
'Absoluut, dat zijn zaken die we nu sneller moeten aanpakken. Het is ook niet zo simpel! Neem nu Brussel en Leuven. Het is de bedoeling dat binnenkort alle studenten in de Alma kunnen eten. Dat ligt voor en is een kwestie van een paar maanden.’

Maar waarom heeft dat zo lang geduurd? Is het zo moeilijk om KU Leuven-studenten die op kot zitten in Leuven maar aan een Brusselse campus studeren, in een Leuvense Alma aan studententarief te laten eten?
‘Wel, dat is moeilijk omwille van een mengeling van bestaande overeenkomsten, terwijl je ook met lokale situaties zit. Dat heb je bijvoorbeeld ook bij de cultuurkaarten: moeten we iedereen die elders een cultuurkaart heeft, er ook in Leuven een geven, en andersom?’

‘Wat wij eerst gaan doen, is de toegang voor studenten die van elders komen in onze Alma’s verzekeren. Pas daarna doen we het omgekeerde, wat in verhouding ook minder gebeurt. Rik Gosselink en Jan De Vriendt (directeur Studentenvoorzieningen, red.) zijn daar heel actief mee bezig.’

Er wordt gezegd dat de huidige ploeg op sommige vlakken niet goed wist wat aan te vangen met de integratie, de stuvo’s zijn daar een voorbeeld van. Wat denkt u daarvan?
‘Ik denk dat het probleem eigenlijk een ander was. Het was aanvankelijk de bedoeling om de Associatie KU Leuven als sturende factor te zien van het geheel. Bevoegdheden moesten niet bij de universiteit of hogescholen liggen, maar bij de Associatie.'

En u wordt al lang gezien als geen fan van de Associatie.
‘Ja, ik geef dat toe. Ik ben wél fan van de Associatie nu, als plek van ontmoeting en discussieplaats over onderwijs. Ik ben nooit fan geweest van de Associatie als een soort superstructuur van waaruit de beslissingen genomen worden. Daar zie ik een democratisch deficit.’

Had een sterke Associatie dan niet geholpen om problemen met integratie, zoals met die stuvo’s, efficiënter aan te pakken?
‘Dat denk ik niet. Dan had je uiteindelijk toch nog met een cultuurverschil gezeten dat je centralistisch moest regelen.’

Acht u zich eigenlijk persoonlijk verantwoordelijk voor het feit dat de Associatie naar een ‘ontmoetingsplaats’ geëvolueerd is?
‘Eerlijk gezegd: ik denk dat dat onvermijdelijk was. Op het moment dat de noodzaak minder sterk is, omdat de integratie gebeurd is, krijg je automatisch een verminderde greep. Ik was daar zelf voorstander van, maar die vloeide tegelijk voort uit de nieuwe situatie.’

De campussen voelen zich niet altijd betrokken. Een klein voorbeeld was de ‘10 foto 's van het jaar’ die de KU Leuven eind 2016 publiceerde, maar waarin enkel foto’s van campus Leuven voorkwamen. Daar kon de Studentenraad niet om lachen.
‘We willen de campussen veel betrekken, maar het is niet altijd simpel. Het is wél gebeurd met duurzaamheidsinitiatieven, zoals bijvoorbeeld met de Ecochallenge. Eerst was dat bedoeld voor de Leuvense koten. Dat is weer die implicit bias.‘

‘Ik ben zelf tientallen keer op de campussen geweest. Ik vind het belangrijk dat wij daar een signaal geven. Ook Rik Gosselink doet elk jaar zijn ‘Ronde van Vlaanderen’ samen met studenten. Dat is belangrijk, omdat je enkel op het terrein kan zien wat mogelijk niet werkt.’

'Als rector moet je vertrouwen hebben in de subsidiariteit van de faculteiten. Ik ben geen politieman die in de faculteiten gaat kijken hoeveel er gedebatteerd wordt'

Overleg en inspraak gaat nog wel een stap verder dan louter aanwezig zijn.
‘Structureel is daar alle plaats voor en het gebeurt ook. Het punt is meer dat je het KU Leuven-gevoel moet verhogen, en dat is wel degelijk verhoogd de laatste vier jaar. Je ziet bijvoorbeeld studenten op de campus gemakkelijker KU Leuven-sweaters dragen, dat was vroeger minder het geval. Je kunt ook niet verwachten dat op het moment van de structurele omschakeling, alles meteen in orde komt.’

Een ander voorbeeld is de opschorting van Slavistiek. Dat was volgens de decaan een herstelplan voor de subfaculteit Letteren campus Leuven, maar had wel reële gevolgen voor de campussen in Brussel en Antwerpen.
‘Dat klopt niet.’

Dat heeft Jo Tollebeek nochtans zo aan Veto laten weten.
‘Ik weet dat bij het herstelplan mensen van andere campussen in vergaderingen zaten. Op welke vergadering wie waar was, weet ik niet. Maar bon, wij hebben daar duidelijk gesteld: de campussen moeten in ieder geval behouden blijven.’

‘Slavistiek wordt in Leuven georganiseerd. En natuurlijk kunnen er repercussies zijn omdat de taaldocenten Russisch en Pools elders zitten. Ik denk dat juist het plan de kans biedt om tot een sterkere integratie te komen.’

Is het niet raar dat, als Veto aan het artikel over de opschorting van Slavistiek werkt, men aan de campussen van niets weet?
‘Daar speelt de subsidiariteit van de faculteiten. Ik breng daarvoor hulde aan Jo Tollebeek: hij heeft een toestand gesaneerd die al tien jaar of meer was misgelopen. De financiële situatie van Letteren ging volledig uit de hand lopen. Daardoor is de faculteit safe.’

‘Over de communicatie spreek ik mij niet uit, maar de inhoud van het plan, waartoe ook wij financieel hebben bijgedragen, vind ik heel sterk.’

Met permissie, maar u heeft het vaak over ‘debat’ binnen de universiteit. Is het dan niet vreemd dat u zich niet over de communicatie uitspreekt terwijl studenten en docenten amper zijn betrokken? Heeft u als rector daar geen rol te spelen?
‘Als rector moet je vertrouwen hebben in de subsidiariteit van de faculteiten. Ik ben geen politieman die in de faculteiten gaat kijken hoeveel er gedebatteerd wordt. Ik heb wél een aantal mensen achteraf ontvangen die zich vragen stelden bij het plan. Ik heb er zelfs met een persoon op kerstavond over gebeld. (lacht) Het is evenwel niet mijn taak, nadat de faculteit het plan heeft aanvaard, de decaan te gaan berispen. Ik ontvang mensen, maar ik wil geen politionele functie.’

Klopt het dat u aan die docenten en studenten die langskwamen meedeelde dat u de communicatie betreurde?
‘Kijk, over communicatie kunnen we altijd discussiëren, en iedereen discussieert op zijn manier. Maar ik sta wel achter het plan, laten we het daar op houden.’

Van beleidsconclaaf naar brainstorm

Terug naar de verbeterpunten. Wat is het tweede waar u aan denkt?
‘Nu ik moet ik nadenken natuurlijk. Ik moet zoeken in het geheel.’

Het kan ook iets specifieks zijn.
‘Hebben jullie een suggestie?’ (lacht)

De Academische Raad? Die lijkt een issue deze verkiezingen. Uit verschillende hoeken is te horen dat daar weinig ruimte is voor debat.
‘Ik zie in de Academische Raad een structureel probleem. Ik heb altijd gepleit voor een meer levendige Raad, ik heb daar ook zelf ingezeten in mijn studententijd.’

U schreef daarover zelfs verslagjes in Veto.
‘En toch heb ik achteraf amnestie gekregen voor die misdrijven. (lacht) Maar wat opviel was dat de Academische Raad ten tijde van Pieter De Somer half zo groot was als nu. Tegenwoordig is dialoog heel moeilijk, puur door het aantal mensen dat er zetelt. Dat kan ik alleen maar constateren. Luc Sels wil zelfs nog een aantal mensen aan de Raad toevoegen.’

U staat niet achter een uitbreiding van het ATP (Administratief-Technisch Personeel) in de Academische Raad?
‘Ik heb daar geen enkel probleem mee, maar je kunt dan moeilijk zeggen dat je gemakkelijker een debat zal krijgen. Je zit daar dan misschien met meer dan vijftig mensen: dat is een heel andere gesprekssituatie.’

‘Er is bijvoorbeeld het decanenoverleg. Dat is een informeel gremium dat er gekomen is om aan de moeilijkheden van de Academische Raad te beantwoorden. Zo kunnen we dossiers beter aftoetsen en voorbereiden. Zo is er ook apart overleg met studentenvertegenwoordigers. In feite heb je dus een situatie waar veel dingen door veel mensen zijn bekeken, vooraleer het op de Academische Raad komt.’

De term ‘bekrachtigingsorgaan’ van Luc Sels is dus niet vergezocht?
‘Toch wel, want het orgaan stuurt ook geregeld dossiers terug voor verdere bewerking. Maar als je zowel een Academische Raad wilt die groter is, als een die meer gaat doen, moet je tweewekelijks of zelf wekelijks een vergadering houden. Ik ben niet zo zeker of je dan nog operationeel kunt zijn.’

Over het decanenoverleg: er zijn mensen die zeggen dat dit informeel orgaan te veel invloed heeft.
‘Ik denk dat het toch normaal is dat je een consensus zoekt. Het is belangrijk toch te weten dat er een basisidee is. Als je zegt: we start from scratch in de Academisch Raad, dan moet je die wekelijks houden.’

Houdt de verschuiving naar informele contacten niet het risico in dat bepaalde mensen of groepen niet worden betrokken?
‘Ze zullen altijd betrokken worden bij de formele beslissing. Als iemand op de Academische Raad vindt dat er een probleem is, zal daar altijd rekening mee gehouden worden, zelfs met de kleinste details.’

‘Om echt te beslissen dat er geen informele overlegmomenten mogen plaatsvinden en we alles moeten verschuiven naar een wekelijkse Academische Raad … Dat is een governance model dat heel moeilijk ligt.’

'Zonder informele overlegmomenten moet de Academische Raad wekelijks gehouden worden, wat als governance model heel moeilijk ligt'

Luc Sels pleit voor een volwaardige studentenvertegenwoordiger op het Gemeenschappelijk Bureau (GeBu). Op het Stura-debat deze week sprak u dit tegen. Ex-voorzitter van Stura Joris Gevaert kwam toen tussen om op te merken dat er wel degelijk GeBu-meetings zijn waarop de studenten niet worden uitgenodigd. Hoe zit dat nu?
‘Ik ben het daar niet met Joris eens, dat is heel duidelijk. Hijzelf, zijn voorgangers en ook Marie (Vanwingh, de huidige Stura-voorzitter, red.) zijn altijd volwaardig lid geweest van het het GeBu en zijn nooit buiten moeten gaan.’

‘Joris had het over de ‘beleidsconclaven’, die ook vroeger bestonden. Dat is gewoon een gesprek van de rector met de vicerectoren, maar waar bijvoorbeeld ook de academische beheerders niet zijn. Daar worden ook nooit formele beslissingen genomen.’

Maar wel informele?
‘Nee, absoluut niet. Hoe kun je nu een informele beslissing nemen als je die nog voor een grotere groep moet verdedigen? Je moet toch wel eens zélf met de naaste medewerkers aan een brainstorm kunnen doen. Ik ben gerust bereid dat beleidsconclaaf af te schaffen en het ‘brainstorm’ te noemen.’

Noemt u studenten dan geen naaste medewerkers?
‘Natuurlijk wel. Maar, ik heb soms ook brainstorms met twee vicerectoren. Je moet bepaalde ideeën kunnen aftoetsen in een sfeer van vertrouwen. Een ander voorbeeld is de informele ATP-vergaderingen die wij hebben. Die zijn van kapitaal belang en hebben al heel veel opgeleverd.’

Duurzaamheid als speerpunt

Hebt u ondertussen al een derde verbeterpunt?
(Denkt even na).

Gender?
‘Op vlak van gender hebben we toch echt wel een lange weg afgelegd. Ik zou dan eerder zeggen dat er nog wel werk is aan het verder uitbouwen van diversiteit op het vlak van mensen van niet-Belgische origine. Daar worden veel initiatieven genomen, maar we moeten nog verder durven gaan.’

‘We moeten naar een volledige inclusiviteit komen waarbij je niet enkel mensen binnenhaalt met diversiteitskenmerken, maar die je ook laat vertrekken met dezelfde slaagkansen. Dat is een zware opdracht.’

'We moeten mensen van niet-Belgische origine laten vertrekken met dezelfde slaagkansen. Dat is een zware opdracht'

Hoe wilt u dat dan realiseren?
‘Via de begeleiding. We hebben bijvoorbeeld het Avicennafonds opgestart (fonds dat het beleid ondersteunt rond studenten met een migratieachtergrond aan de KU Leuven, red.). Maar we moeten ook de meest talentrijke mensen kunnen binnenhalen. We gaan daarom naast het push-beleid ook meer aan pull-beleid doen. Dat betekent dat je gedifferentieerd moet kijken naar wat mensen nodig hebben voor de rest van hun loopbaan. Mensen van Turkse origine hebben bijvoorbeeld grote bewondering voor ondernemerschap. Probeer daar dan een rolmodel voor te vinden, waardoor deze mensen makkelijker naar de universiteit komen.’

Hoe evalueert u de 30% CSE-regel?
‘Heel goed.’

Ook in relatie tot de diversiteit van de instroom?
‘Het is niet door die 30%-regel niet meer toe te passen dat je een meer diverse studentenpopulatie zal krijgen, omdat empirisch bewezen is dat wie die 30% niet haalt, minder dan 1% kans maakt op een diploma in die richting. Die 30% CSE-regel was dus eigenlijk een heel sociale maatregel.’

Ontmoedigt die regel niet vooraf die specifieke groep?
‘Ik denk het niet. Je moet die specifieke groep vooral goed begeleiden.’

Over de portefeuille Duurzaamheid, Gender en Diversiteit: die schijnt door u en uw vicerectoren niet altijd serieus te zijn genomen.
‘Dat klopt helemaal niet. Kijk, het is de eerste keer dat die portefeuille er is geweest. Natuurlijk is er nog veel werk, maar ik denk ook daar dat er al een ongelooflijke weg is afgelegd. De Duurzaamheidsraad is er gekomen. Die functioneert goed en neemt allerlei initiatieven.’

‘Daarnaast was er de oprichting van het Green Office, dat volledig vrij is en dus ook initiatieven moet nemen die niet per se door de KU Leuven als instelling worden gedragen.’

Begrijpt u dat dat gezien wordt als: de verantwoordelijkheid wordt naar de studenten geschoven?
‘Nee, integendeel. Ook niet-studenten kunnen daar aan deelnemen. Het Green Office is de incubator van de duurzaamheid, via trial and error.’

‘Er zijn ook andere belangrijke initiatieven genomen inzake duurzaamheid. Je hebt de hele discussie over aandelen in fossiele brandstoffen: we zijn het volledig eens dat we dat moeten afbouwen. We hadden daarin trouwens sowieso weinig aandelen.’

‘Een ander voorbeeld is een initiatief dat niet van ons komt, maar genomen is door enkele jonge academici, over vliegreizen. Dat vind ik echt heel belangrijk. Laten we sensibiliseren en bijvoorbeeld inzetten op videoconferences. En ook: walk the talk. Ik kan zelf zeggen dat ik dit jaar in geen enkel vliegtuig ben geweest.’

Sinds januari?
‘Sinds januari, maar dan nog. Mijn houding is: verminder die vliegreizen. Daar moeten we niet enkel zeggen wat moet gebeuren, maar het ook doen en kenbaar maken. We mogen dat niet meer evident vinden.’