Recensie: Mockumentary of a contemporary saviour

God schiep ons om te dwalen

30 April 2017
Recensie
‘Mockumentary of a contemporary saviour’ is geen documentaire-stuk met een satirisch kantje. Het is een gitzwart visioen over een verre toekomst. Waar Vandekeybus naartoe wil, komen we niet te weten.

‘Een utopisch werk, in de vorm van een sciencefictionstuk.’ Zo omschrijft Wim Vandekeybus zijn nieuwe voorstelling, die hij samen met zijn gezelschap Ultima Vez maakte. Mockumentary of a contemporary saviour, dat zich afspeelt in een verre, kille toekomst, heeft inderdaad iets van een scifi-film. Maar wat Vandekeybus verstaat onder de term ‘utopie’ baart ons toch lichtelijk zorgen.

In een regen van lichtflitsen komt de eerste danser/acteur het podium op. Getooid in wijd gewaad, ogen als vlammenwerpers en – uiteraard – zijn wijsvinger in de lucht. De profeet richt zich tot het publiek: ‘You know why god created us? To play with us’.

Saïd, zo heet hij, zet de toon voor wat volgt. Religie, daarover zal het gaan. Nu de stroboscopische regenbui voorbij is, begint het echt te stormen. Net zoveel als er in de volgende scènes met mensen zal worden gegooid, smijt de onheilsprofeet een kluwen van bijbelverwijzingen naar ons hoofd.

Wat Vandekeybus verstaat onder de term ‘utopie’ baart ons toch lichtelijk zorgen

Dan komen vier mensen op, dansend in een kleine kring. Ze komen uit verscheidene landen, te horen aan de talen die ze spreken. Later zal duidelijk worden dat zij de uitverkorenen zijn, door een messiasfiguur uit de ‘echte’ wereld gehaald, want die gaat definitief ten onder. Hier, in de safe zone zijn ze onsterfelijk.

Maar echt veilig voelt de setting niet aan: witte tl-lampen, ergerlijke soundscapes, al dat geschreeuw … De apocalyps die buiten woedt, echoot luid in de steriele ruimte waarin de dansers zijn terechtgekomen. Om nog maar te zwijgen van de ronde, beweegbare schijf die als een zwaard van Damocles boven de spelers hangt. Visueel een sterke vondst, die schijf, toch voor wie stalen zenuwen heeft.

Redder in oranje broekpak

De personages dwalen doelloos door de ruimte. Voortdurend gaan ze met elkaar op de vuist, een weinig efficiënte manier om de tijd te verdrijven. Verveling domineert hun zogenaamd utopisch bestaan, tot voor de eerste keer de hemelschijf opengaat.

Dat dansers geen acteurs zijn, merken we in de armzalige dialogen tussen de andere spelers

Onder hevige bliksemschichten valt plots een corpulente Britse kerel uit het plafond. De moederfiguur van het gezelschap, Anabel, denkt dat het lijk dat het firmament net uitspuwde haar eigen zoon is. ‘I fucked God and he enjoyed it!’ schreeuwt ze. Ook wij denken even dat de man, gekleed in een oranje broekpak, de redder is waarop deze verloren gemeenschap wacht.

Quod non. De dikke Brit, gespeeld door Daniel Copeland, blijkt een even normaal leven achter de rug te hebben als de andere leden van het bonte gezelschap. Hij doet het goed als comic relief van het stuk: de acteur is geen danser. Dat dansers ook geen acteurs zijn, merken we in de armzalige dialogen tussen de andere spelers.

De man leert mee te draaien in de kleine gemeenschap. Net als de anderen brengt hij de nachten door in een verlichte box, opgefrommeld in foetushouding in een vreemde couveuse, en verveelt hij zich dood (zonder effectief dood te gaan). Uiteindelijk ontpopt hij zich tot de leidersfiguur die de anderen leert voelen (in een vorig leven was hij psycholoog).

Jehova’s

Tot daar de lijn die we door de voorstelling kunnen trekken. Gaat het om een groep onsterfelijken die in een vreemde dystopie elke voeling met wat menselijk is, is kwijtgeraakt? Wanneer Saïd het publiek opnieuw aanspreekt, vraagt Anabel tegen wie hij spreekt. Is het publiek de hogere macht die de acteurs niet kunnen bereiken? God.

Twee uur lang slingeren de dansers/acteurs onsamenhangende ideeën naar ons hoofd. De laatste scène lijkt de ultieme poging om dat goed te maken en smeert het messias-thema nog even breed uit. Wanneer uiteindelijk een kind uit het plafond neerzijgt, vermoeden we dat hij de échte redder is. De redder waardoor de dansers verstillen. Als bij wonder daalt er een vreemdsoortige vrede over hen heen. Ten slotte klimmen ze doorheen de tribune naar de uitgang, terwijl ze als ware jehova’s boodschappen van liefde en vrede verkondigen.

Zo dicht als de acteurs op het einde komen, zo ver blijft de boodschap die Vandekeybus wil meegeven. Sommige scènes, klein en intiem of oorverdovend luid, houden ons even vast en introduceren veelbelovend een idee. Maar telkens opnieuw laat de mengelmoes van dans en theater de draad los of stranden de lijnen in het slechte acteerwerk. We denken dat we iets geleerd hebben, maar weten niet wat, en verdrinken in een maalstroom van gekke gedachten.