Personeel uit ontwikkelingseconomieën aan de KU Leuven

‘Het is een andere wereld in landelijk China dan in Peking’

05 december 2016
Artikel
Auteur(s): Simon Thys
De KU Leuven neemt initiatieven rond ontwikkelingssamenwerking. Ook de cijfers van het personeel uit ontwikkelingseconomieën zijn niet slecht, ‘maar je moet kijken uit welk land ze komen.’

7,3% van het personeel aan de KU Leuven komt uit landen waar de economie zich nog ontwikkelt. Dat is 35,8% van het internationaal personeel.

Het land dat er met kop en schouders bovenuit steekt is China met 175 werkkrachten aan de KU Leuven, nipt gevolgd door India met 151. Ook Iran (78), Polen (76), Rusland (40), Roemenië (38), Turkije (35) en Vietnam (35) zijn tamelijk goed vertegenwoordigd. De overige landen schipperen onder het aantal van 30 personeelsleden aan de KU Leuven. Al doet het Afrikaanse continent het minder goed. Uit het hele continent Afrika komen in totaal 93 personeelsleden, wat toch in scherp contrast staat met India en China.

De lijst met ontwikkelingseconomieën komt van het International Monetary Fund (IMF). Die lijst is gebaseerd op het economische aspect van ontwikkelingsvraagstukken in ontwikkelingslanden. Onder personeel wordt het Assisterend en Bijzonder Academisch personeel (AAP en BAP), Administratief en Technisch Personeel (ATP) en Zelfstandig Academisch Personeel (ZAP) gerekend.

Liever meer Afrikanen

Benjamin Steegen van de onderzoeksgroep Moderniteit en Samenleving 1800-2000, is kritisch tegenover deze cijfers. ‘Dat klinkt goed, maar je moet kijken uit welk land ze komen. Ik zou het veel positiever vinden als er veel mensen uit Afrika in zitten, die hier academische kennis opdoen en nadien hun eigen kenniseconomie in universitair onderwijs willen opbouwen’, zegt hij.

India en China zijn prominent aanwezig en Steegen stelt dat het waarschijnlijk de hogere klassen zijn. ‘De samenleving in India is erg gestratificeerd. Het kunnen Indiërs zijn die uit de hogere klasse van het kastesysteem komen. Hetzelfde met China. China heeft geen slecht onderwijs bijvoorbeeld, maar het is een andere wereld in landelijk China dan in Peking.’

'De zuidbeurzen zorgen voor een nauwere samenwerking met universiteiten in het zuiden'

Chris Van Geet, voorzitter van de Interfacultaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking

Ook Chris Van Geet, voorzitter van de Interfacultaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking (IRO), zegt dat er verschillende categorieën zijn van landen. ‘Je hebt de lage inkomenslanden en bijvoorbeeld daarnaast ook de BRICS-landen die in opmars zijn. Het zijn allemaal ontwikkelingslanden.’

De IRO keert zogenaamde zuidbeurzen uit om doctoraatsstudenten – ATP’ers en BAP’ers – naar de KU Leuven te laten komen en hier hun doctoraat te maken. ‘Binnen de IRO zijn er verschillende activiteiten maar onze zuidbeurzen zijn het zwaartepunt. Duurzame ontwikkelingssamenwerking kan op termijn de capaciteitsopbouw in het land van herkomst stimuleren. Het is de beste garantie om mensen uit het zuiden hun doctoraat hier te laten doen’, aldus Van Geet. De zuidbeurzen zijn voor de armste landen voorbehouden. ‘We zien ook dat die zuidbeurzen zorgen voor een nauwere samenwerking met universiteiten in het zuiden’, zegt ze.

Westerse overmacht

Steegen meent dat we nog in vele gevallen uitgaan van westerse superioriteit. ‘Waar ik veel aandacht voor heb, is hoe de relaties zitten in de ontmoetingen. Hoe zit die machtsrelatie tussen de KU Leuven die als grote westerse universiteit in zee gaat met lokale partners, die natuurlijk veel minder middelen hebben en misschien minder technische expertise? Als er beslissingen worden genomen, wie neemt ze dan uiteindelijk?’ vraagt hij zich af. ‘Je moet je daar heel bewust van zijn als je ermee bezig bent, zelfs als iedereen het goedkeurt. Die machtsrelaties zijn altijd aanwezig, maar je moet die niet onder de mat moffelen.’

Dat is iets om voor op te letten, maar hij ziet ook het goede in dit soort ontwikkelingssamenwerking. ‘Je geeft studenten en personeel uit ontwikkelingslanden de kans om ergens anders ervaring op te doen, het lijkt me inderdaad wenselijk als dat gebeurt op een manier die bijdraagt tot hun eigen ontwikkeling en tot de ontwikkeling van hun land.’