Luc Sels: 'Ambitie wordt veel te vaak geïnterpreteerd als eigengereidheid'

Verkiezingsinterview

24 April 2017
Interview
Auteur(s): Simon Grymonprez , Jef Cauwenberghs
Na het programma, het interview. Kandidaat-rector Luc Sels: ‘Ik speel echt heel weinig op de man. Of Rik Torfs zelf tekort geschoten is, laat ik aan het oordeel van de kiezer over.’

‘Ik vind het vooral van cruciaal belang, als ik één ding mag beklemtonen, dat alle kiezers de twee programma’s lezen en kiezen voor de toekomst van de KU Leuven die hen het meest aanspreekt: dat is waar het om draait’, steekt Sels van wal. ‘Het moet een inhoudelijke keuze zijn. Alles wat ik deze dagen zeg, komt over als een verwijt. Het gaat mij echt om twee verschillende visies op hoe de universiteit zich verder moet ontwikkelen.’

De laatste negen presidia van Ekonomika, de laatste negen besturen van AFD en de laatste vier besturen van AFD schreven zonet een open brief om studenten op te roepen op u te stemmen. Had u zo’n signaal verwacht?
Luc Sels: ‘De brief verbaast mij niet. Het gevoel is trouwens wederzijds. Er zijn twee verhalen die mijn periode als decaan heel mooi gekleurd hebben: internationalisering en samenwerking met de studenten.’

‘De band met de kring is altijd bijzonder goed geweest. Ik vind dat we samen - en ik wil daar de verdienste niet voor opnemen - de kring getransformeerd hebben. Je kent die slogan ‘utile dulci’ wel (Latijn voor 'het nuttige met het aangename, red.). Toen ik decaan werd, was het heel erg dulci. (lacht) Dat is nog altijd aanwezig, maar er is daarnaast vooral ook heel ernstig studenteninitiatief gekomen dat bijdraagt aan een rijkere ontwikkeling van de student. Het vertrouwen is langs beide kanten heel groot geweest.’

Wat met de inspraak van studenten? Rond de afschaffing van Slavistiek was bijzonder veel protest van studenten. Had de rector daar een rol kunnen spelen?
‘Ja, maar de rector hééft daar een rol gespeeld. Dat is geen kritiek, maar een vaststelling. Het zou fout zijn de verantwoordelijkheid voor dat dossier nu volledig bij de decaan te leggen. Ik heb het herstelplan van de faculteit Letteren niet zelf gelezen. Maar het gaat om een afspraak tussen het GeBu (Gemeenschappelijk Bureau, de facto hoogste beslissingsorgaan van de universiteit en de faculteit, red.) en de faculteit, dus de rector speelt daar ook een rol in. Dat hoort ook zo te zijn. Natuurlijk is het een bijzonder moeilijk dossier. Maar de faculteit kan nu vooruit kijken: dit moet een opstap zijn naar een betere toekomst, niet de eerste beweging van een negatieve spiraal.’

Rector Torfs zei dat hij ervan uitging dat het herstelplan van Letteren intern voldoende was afgetoetst. Is dat geen aanneembare positie?
‘Is dat een aanneembare positie of het afschuiven van verantwoordelijkheid? Nu stellen jullie een vraag over een faculteit waar ik geen lid van ben en ik kan in die zin moeilijk inschatten hoe het dossier tot stand is gekomen.’

Maar hoe zou u als rector gereageerd hebben?
‘Om jullie een fair antwoord te geven: het is eigenlijk onmogelijk om over dergelijke diepgaande beslissingen met consensus te beslissen. Het is normaal en menselijk dat iedereen dan voor zijn eigen belangen begint te vechten: Je kan dus moeilijk van de faculteitsraad verwachten om zelf consensus te zoeken. Maar je kan wel aan de faculteitsraad vragen om een aantal principes goed te keuren die gevolgd moeten worden bij de totstandkoming van zo’n plan. Het plan zelf kan vervolgens uitgewerkt worden door een kleinere groep die deze principes ter harte neemt. Ook dat blijft natuurlijk erg moeilijk, maar het creëert wel een helder kader en een besef van gedeelde verantwoordelijkheid.'

U zegt dat de studentenvertegenwoordiger in het GeBu op dit moment geen volwaardige medebestuurder is.
‘Als ik spreek over een volwaardig lidmaatschap van een studentenvertegenwoordiger van het Gemeenschappelijk Bureau, dan gaat het voor mij over de strategische GeBu-meetings die nu tussen de vergaderingen door gehouden worden of om GeBu-conclaven, die belangrijk zijn in de pre-besluitvorming. Als je de studenten als medebestuurder hebt en je houdt een GeBu-conclaaf, dan moeten de studenten daar bij zijn.’

Eigenheid van faculteiten

U zegt te willen verbinden in uw programma. Dat was ook een belofte van Rik Torfs. Waar heeft hij tekortgeschoten?
‘Ik speel echt heel weinig op de man. Of Torfs zelf tekort geschoten is, laat ik aan het oordeel van de kiezer. Ik vind wél dat we als universiteit tekortgeschoten zijn in een aantal domeinen. Dat is deels verantwoordelijkheid van de rector als coach van zijn bestuur, en deels van het bestuur en van hoe de bestuursorganen nu functioneren.’

Kunt u een voorbeeld geven?
‘Ik vind dat we heel, heel weinig zijn opgeschoten op het vlak van interdisciplinariteit. Dat is voor mij: samen één universiteit maken. Het is nog moeilijker dan vier jaar geleden om initiatieven te nemen die de grenzen van de groepen overschrijden.’

‘Er is veel meer direct contact tussen de rector en veel geledingen. Dat heeft Rik Torfs knap gedaan'

‘Een tweede voorbeeld is de verbinding tussen de personeelscategorieën. We denken nog te veel in categorieën. In FEB hebben we bijvoorbeeld de deuren van de faculteitsraad voor alle leden van het ATP (leden van het Administratief-Technisch Personeel, red.) geopend, ook als ze geen stemgerechtigd lid zijn. Het gaat me om die inclusieve houding.’

‘Daarentegen heb je het feit dat er te weinig gebeurd is met de ATP-vertegenwoordiging in de Academische Raad. Ik vind het voor een dermate belangrijke groep in de universiteit niet goed dat die vertegenwoordiging beperkt blijft tot één persoon.’

Zijn er dan geen stappen vooruit gezet?
‘Er is veel meer direct contact tussen de rector en veel geledingen. Dat heeft Rik Torfs knap gedaan. Hij heeft echt gepoogd die verbinding via veel individuele contacten te realiseren. Maar de vraag is of dat iets veranderd heeft in de werking van de universiteit, en geleid heeft tot meer inclusie en interdisciplinaire samenwerking. Dan zeg ik: nee.’

Wie of wat is dan verantwoordelijk voor die tekortkomingen? De rector?
‘De rector heeft hier zeker invloed. In de vele persoonlijke contacten heeft hij zeker zijn rol opgenomen. Torfs was heel erg aanwezig, bijvoorbeeld op allerlei evenementen. Faut le faire. De vraag is voor mij: hebben al die directe, informele contacten niet de mogelijkheden tot meer gestructureerd overleg met faculteiten, departementen of ziekenhuis in de weg gestaan? Altijd beschikbaar zijn als rector is goed en belangrijk, maar er moet tegelijk gezorgd worden voor een meer structureel overleg met de faculteiten, departementen en diensten die deze universiteit vorm geven.’

In uw programma ijvert u voor meer binding tussen het centrale bestuur en de faculteiten.
‘Ik blijf het schrijnend vinden dat je vanuit een faculteit nooit op een GeBu (Gemeenschappelijk Bureau, de facto hoogste bestuursorgaan aan de universiteit, red.) of Groepsbestuur je strategie, prioriteiten of grootste zorgen moet komen toelichten. Ook vele van de vicerectoren lieten zich zelden of nooit zien op de faculteiten en departementen. Op die manier kan je het centraal bestuur niet inspireren en krijg je ook geen goede feedback. Als we dat veranderen, zal het GeBu beter weten wat de problemen en zorgen van de faculteiten en departementen zijn.’

'Akkoord, wij hebben vaak aangegeven waar die ambitie van FEB gefnuikt werd door het gebrek aan centrale ondersteuning of door een te rigide universitaire regelgeving, maar dat is absoluut niet vanuit de wil om anders te zijn'

‘Didier Pollefeyt (vicerector Onderwijsbeleid, red.) heeft dat bijvoorbeeld wél gedaan door heel veel te overleggen met vicedecanen onderwijs en programmadirecteurs. Maar zoals aangegeven was dat zeker niet de regel in deze ploeg.’

Van FEB wordt evenwel altijd gezegd dat het een ‘universiteit is binnen een universiteit’, die anders wil doen dan de anderen. Is het dan niet paradoxaal te pleiten voor meer binding met het centrale niveau?
‘Ik heb die kritiek en commentaar vaak gehoord. Soms komt die bij mij over alsof men ons onze ambitie niet gunt. Dit is gewoon een ambitieuze faculteit, die er alles aan doet om de KU Leuven sterker te maken. Akkoord, wij hebben vaak aangegeven waar die ambitie gefnuikt werd door gebrek aan centrale ondersteuning of door te rigide universitaire regelgeving, maar dat is absoluut niet vanuit de wil om anders te zijn. Je merkt simpelweg dat je op een aantal obstakels botst bij het maken van inhoudelijke keuzes, en dat wil je gewoon aankaarten.’

Hebben de faculteiten dan meer nood aan autonomie?
‘Voor mij gaat het niet over het afbouwen van universiteitsbrede regelgeving. Je moet vertrekken vanuit de idee dat de universiteit een gezamenlijke missie heeft. Als je als faculteit meer autonomie vraagt, dan moet je daarbij kunnen aantonen dat dit de universiteit sterker maakt, dat je in lijn blijft met de opdrachtverklaring en missie van de KU Leuven en dat de keuzes bijdragen aan het groter verhaal. In dat geval zie ik geen enkel probleem en moet er ruimte zijn voor maatwerk. Dat is subsidiariteit in de volle betekenis van het woord.’

‘Ik heb inderdaad gevochten voor subsidiariteit. En ik heb daar de laatste vier jaar harder voor moeten vechten dan de vier jaar daarvoor.’

Ligt het evenwicht tussen de faculteiten en centraal niveau op dit moment dan niet goed?
‘De universiteit wordt niet gemaakt op het rectoraat. Evident zou de rector daar een heel verbindende rol moeten spelen, maar de werkelijke waarde van de universiteit vind je in onderzoekscentra, het ziekenhuis, de programma’s, opleidingen, faculteiten en departementen. Die moeten samen een kader hanteren.’

‘Zeker voor de student is het belangrijk dat, als hij of zij van programma of faculteit verandert, hij of zij niet in een geheel nieuwe omgeving met eigen regels terechtkomt. De spelregels moeten over de hele universiteit hetzelfde zijn. We moeten zo bijvoorbeeld facultaire afwijkingen in het OER (Onderwijs- en Examenreglement, red.) tot een minimum proberen te beperken in het belang van de student.’

Ambitie of eigengereidheid?

Sels werd altijd gezien als een criticus in het debat rond COBRA, het interne systeem dat dat de kwaliteit van het onderwijs aan de KU Leuven moet bewaken. COBRA werd de voorbije jaren uitgedacht en voor het eerst ook uitgerold. De FEB-decaan was er niet bijzonder gelukkig mee, omdat FEB ook voor een externe, internationaal erkende accreditatie wou gaan.

‘Wat voor ons speelde was een goede afstemming tussen de interne kwaliteitszorg en het belang van externe accreditatie, die in ons domein heel erg speelt. Daar moet de universiteit echt heel goed begrijpen dat, als wij die internationale accreditatie, die trouwens de lat voor kwaliteit heel erg hoog legt, kwijtspelen, dit een negatief reputatie-effect voor de volledige universiteit betekent.’

‘Laat elke faculteit eens bepalen wat de internationale standaarden van hun domein zijn'

Zijn de gevolgen dan zo dramatisch?
‘Het gaat om reputatieverlies, maar het heeft ook andere gevolgen. Het zou ons niet meer toelaten om in instellingen als Hong Kong University, Peking University of University College London in ons netwerk te behouden. Dan vallen we gewoon uit dat netwerk.’

‘Daar had de KU Leuven aanvankelijk weinig openheid voor. Ik vind het jammer dat ik daar zo lang voor heb moeten vechten. Maar ik heb het dus wél gedaan en ik ben tevreden met de uitkomst: we draaien al twee jaar mee in COBRA én we brengen eigenlijk het externe perspectief binnen via het internationaal accreditatiesysteem. Daar zijn anderen en ik toch best gelukkig over.’

Is er, ook op andere faculteiten, nog altijd te weinig openheid voor die externe accreditaties?
‘Die zijn lang niet in alle disciplines belangrijk. Bij ons maken die het verschil tussen top zijn en niet meespelen. In andere faculteiten speelt dat ongetwijfeld veel minder. Laat ons meer openheid hebben voor wat domeinspecifiek de standaard is en wat er speelt. Laat ons dus beseffen dat faculteiten die een externe toets willen, dat mogen doen vanuit de ambitie om hun opleidingen en de universiteit beter te maken.

‘Het is uiteindelijk weer die ambitie die hier een rol speelt. Die wordt veel te vaak geïnterpreteerd als eigengereidheid. Dat is jammer, en ik denk dat veel andere decanen dat ook zo zien.’

Kan u daar een voorbeeld van geven?
‘Die accreditaties zijn een typisch voorbeeld. Of de vraag wat goed onderzoek en een goede publicatie is: dat is bijvoorbeeld heel domeinspecifiek, terwijl we moeten vaststellen dat we in een financieringslogica zitten waarin de kwantitatieve criteria nogal dominant zijn.’

Wat stelt u dan voor?
‘Laat elke faculteit eens bepalen wat de internationale standaarden van hun domein zijn, en waar ze zich op willen focussen. Laat ons die strategieën erkennen en laat ons dan vanuit die strategieën nadenken hoe we op een billijke manier de middelen kunnen verdelen.’

'Laat ons gewoon de primus inter pares blijven die we zijn, maar wel de inter pares met een erkenning en waardering voor elk van de andere Belgische universiteiten'

Samengevat: u wil verbinden maar niet homogeniseren?
‘Perfect! Ik had het zelf niet beter kunnen zeggen. U moet rectorkandidaat worden! (lacht)'

Primus inter pares

U wilt weg van het ‘KU Leuven first’ discours. Waar ziet u de KU Leuven binnen onze landsgrenzen?
‘Zonder enige twijfel op nummer één.’

De UGent heeft de laatste jaren ook grote stappen gezet.
‘De UGent is een zeer goede universiteit, net als bijvoorbeeld de UCL een zeer goede universiteit is. Ik zou eigenlijk van de permanente vergelijking tussen Gent en Leuven weg willen. Laat ons gewoon de primus inter pares blijven die we zijn, maar wel de inter pares met een erkenning en waardering voor elk van de andere Belgische universiteiten. Dat brengt ons verder.’

De KU Leuven heeft de UGent ook nodig in bepaalde dossiers, zoals de herindeling van het academiejaar. Wat denkt u van een eventuele herindeling?
‘Eén van mijn programmapunten is om de experten te laten spreken. Ik wacht dan ook met zeer veel nieuwsgierigheid het oordeel van de experten af. Er is een groep samengesteld en ik heb geen zin om nu hun werk te doorkruisen. Daarom ga ik geen voorkeur uitspreken op dit moment, want dan volg ik mijn eigen intuïtie terwijl ik liever verder ga op expertise.’

‘Ik hoop wel dat ze met voldoende parameters rekening houden en komen met een voorstel dat aanvaardbaar is voor andere universiteiten en hogescholen. Die mogen we niet vergeten als we het hebben over bijvoorbeeld de heroriëntering van studenten.’

‘Het voorstel moet ook nadenken over de consequenties voor alle personeelscategorieën, zodat we bijvoorbeeld niet als een onbedoeld neveneffect plots ons ATP tijdens kerstvakanties examenroosters laten opmaken.’

Waarom sleept dat dossier eigenlijk al jaren aan?
‘Omdat het nooit, en dat is geen kritiek, een gedragen prioriteit gekregen heeft. Het is evenwel belangrijker gevonden in sommige faculteiten dan in andere.

‘Het is natuurlijk ook een heel grote operatie. Je mag niet onderschatten wat we de voorbije jaren achter de rug hebben met bijvoorbeeld de integratie (van de ex-hogeschoolopleidingen in 2013, red.).’

'De flexibilisering heeft zeker nadelen, maar ik weet niet helemaal zeker of het terugschroeven in het belang van de student is'

Wat trouwens met de docentenevaluaties? U toont zich ietwat sceptisch.
‘Die online studentenbevraging is hier, in de faculteit FEB, goed aanvaard, maar dat is lang niet het geval in alle faculteiten. Bij veel decanen is er de kritiek dat de doorlooptijd veel te lang is, bij studenten is de kritiek dat ze doorgaans niet weten wat ermee gebeurt, en docenten klagen dat enkel de tevredenheid en niet onderwijskwaliteit gemeten wordt.’

Wat stelt u dan in de plaats voor?
‘Ik wil het wellicht in een aangepaste variant behouden, omdat de student een stem moet hebben. Dat vind ik belangrijk. Maar we moeten de methode zeker verrijken.'

Hoe dan?
‘Dat is één van de punten in het programma waar ik op dit moment veel beter de diagnose kan stellen dan de oplossing aanreiken. Je moet me dat maar vergeven, er staat veel in dit programma.’

Wat is uw visie op flexibilisering en studiesucces? Tijdens de vorige periode meenden de kandidaat-rectoren dat de flexibilisering te ver is doorgedreven.
‘Die flexibilisering heeft zeker nadelen, maar ik weet niet helemaal zeker of het terugschroeven in het belang van de student is. Als we de flexibilisering zouden terugschroeven, moeten we er in ieder geval over waken dat de studenten daar geen nadelen van ondervinden.’

Bent u van plan iets te wijzigen aan de 30% CSE-regel die studenten in hun eerste jaar verplicht moeten halen, willen ze verder studeren?
‘Ook daar ben ik van mening dat je heel evidence-based te werk moet gaan. Dat is ook goed gebeurd bij die 30% CSE-regel: men is op zoek gegaan naar de rand waar een heel groot verschil in kansen ontstaat. Mochten we merken dat die door een verandering in de populatie studenten op de veertig procent zit, dan moeten we dat ook durven uit te breiden. Maar het staat niet in mijn programma opgenomen omdat ik daar geen plannen rond heb op dit moment.’

‘Ik vind dat je ook moet opletten met dit soort maatregelen om de haverklap te veranderen. Het is een duidelijk signaal, maar ik vind dat we via andere initiatieven moeten proberen om het rendement in het eerste jaar te versterken. Laat faculteiten rond hun ijkingstoetsen bijvoorbeeld flexibele trajecten uitbouwen, afhankelijk van de uitkomst van die ijkingsproef.’

Rector Torfs schoot het voorstel tot ‘blind grading’, een voorstel van KU Leuven-academici, onmiddellijk af. Hoe staat u daartegenover?
‘Ik vind het in de eerste plaats spijtig dat het afgeschoten is zonder verder debat, wat niet wil zeggen dat ik voorstander ben. Het is een voorstel dat door onze eigen experten is gedaan. Misschien zien andere experten het anders, dat zou kunnen. Maar het voorstel verdient debat, en het direct afschieten getuigt van weinig respect tegenover de eigen mensen.’

‘Kijk, in een ideale situatie zie ik wel wat in het voorstel: in een situatie van onbeperkte mogelijkheden en middelen. Ik vind hoe dan ook dat het debat het debat waard is. Ik zou het ook graag opnieuw op de agenda zetten. Niet om het plots als een soort nieuw toetsbeleid te introduceren, maar het lijkt me op zijn minst een boeiend experiment.’