Leve de zijlijn!

Masterclass: het cursiefje

20 mei 2019
Analyse
Auteur(s): Vincent Cuypers
​Het cursiefje lijdt onder zijn janusgezicht. Hoort het bij de journalistiek, of valt het onder literatuur? We zoeken uit of die spreidstand ultiem houdbaar is.

Wikipedia definieert het cursiefje als een 'deels verhalend, deels beschouwend prozastukje in een dag- of weekblad'. Dat maakt dat het cursiefje moeilijk in te delen valt: is het journalistiek, of is het literatuur? Ons vastgeroeste hokjesdenken maakt zulke vragen nu eenmaal prangend. Toch zijn er namen groot mee geworden. Godfried Bomans en Simon Carmiggelt vooral, maar in hun schaduw, die zich ook onder de Moerdijk verspreidde, ook Vlamingen als Jos Ghysen, Louis Verbeeck en Louis Paul Boon. Die hoogdagen zijn echter voorbij: cursiefjes vormen geen vanzelfsprekendheid meer, en van uitgegeven bundels is al zeker geen sprake meer. Hoog tijd om een en ander op te rakelen.

Tussen krant en literatuur

'Typisch voor het cursiefje is inderdaad dat het zich heel moeilijk laat omschrijven', aldus professor Dirk De Geest, Letterkundige. 'De naam komt letterlijk van "cursief", omdat het in de kranten cursief werd afgedrukt, om te zeggen: “dit is geen berichtgeving, maar een ander soort tekst.” Daar heeft men dan van gemaakt dat men op een cursieve manier naar de werkelijkheid kijkt.' Het cursiefje biedt dus een persoonlijke beschouwing op allerlei zaken uit de werkelijkheid, maar toch is het geen opiniestuk - geen column, in wederkerend geval - in de klassieke zin van het woord. 'Daarin is een mening veel belangrijker dan het verhaal. Bij de historische cusiefjesschrijvers ging het in de eerste plaats om het neerzetten van scènes', zegt De Geest.

'De literaire wereld leeft enorm in het idee dat een roman vooral een lang moet zijn, en als die roman slecht geschreven is, dan doet dat er eigenlijk niet toe'

Prof. Dirk De Geest

Hoewel het cursiefje als afgelijnd genre niet zo veel meer beoefend wordt, neemt dat niet weg dat heel wat elementen van het cursiefje blijven terugkeren, aldus De Geest: 'Als ik moet zeggen, wie vandaag het meest "cursiefjesschrijver" is, dan is dat gek genoeg Eva Mouton. De cartooniste die een inkijk in haar leven geeft met Bert en haar katten, komt eigenlijk het dichtst in de buurt bij wat het cursiefje vroeger was.'

Het zijdelings kijken naar de dingen gaat in het cursiefje doorgaans gepaard met humor en relativering. Men kan bijvoorbeeld bezwaarlijk stellen dat Mouton zichzelf te serieus neemt. Dat maakt ook de intellectuele waarde van het cursiefje, en de vorm ervan leent zich daar ook toe. In een roman of een lang essay kan je moeilijk jezelf tegenspreken, maar of je wekelijks wat anders van de dingen vindt, steekt niet zou nauw: de helft van de lezers is tegen dan toch al vergeten wat je de vorige week hebt geschreven. 

Ook De Geest wijst in die richting: 'Bij Carmiggelt zie je bijvoorbeeld dat hij heel erg inzet op klassenverschillen, op regionale verschillen, op verschillen tussen de werkmens en de intellectueel. Maar door het feit dat hij beide kanten ironiseert, kun je moeilijk zeggen dat hij kant kiest. De beste cursiefjesschrijvers wisselen, achteraf gezien, voortdurend van positie en van sympathie en dwingen daardoor hun lezers om vragen te stellen over hun eigen zekerheden.' Toch worden korte teksten hoe langer hoe minder geapprecieerd, stelt De Geest: ‘Tegenwoordig moeten boeken dik zijn. Anders tellen ze niet mee. De literaire wereld leeft enorm in het idee dat een roman vooral lang moet zijn, en als die roman slecht geschreven is, dan dat doet er eigenlijk niet toe.’

Daarnaast liggen ook de focus op alledaagsheid en het gebruik van humor vandaag moeilijk in de literatuur: 'Schmidt zou vandaag denk ik niet meer kunnen, terwijl wij dat allemaal fantastisch vonden. Maar je ziet, na een tijd geraakt dat gedateerd omdat we dat soort humor en uitvergroting eigenlijk verleerd zijn. Ik zie dat de Hema zelfs geen Jip en Janneke-gadgets meer heeft. Dus zelfs dat gaat voorbij.'

'Universality of appeal'

Maar wat maakt nu juist een goed cursiefje? Een goed cursiefje beheerst in de eerste plaats tot in de puntjes wat in het Engels zo mooi the universality of appeal wordt genoemd. De beschreven feiten en personages moeten net als in een toneelstuk, gedicht of roman, bijzonder genoeg zijn om vertellenswaardig te zijn, maar universeel genoeg dat iedereen zich erin kan herkennen, ideaal boven de vluchtigheid van de actualiteit heen. Dat bevestigt ook De Geest: ‘De ideale cursiefjesschrijver is iemand die vanuit een soort herkenbaarheid kan schrijven en zodanig scènes kan neerzetten dat die tegelijk het eeuwig-menselijke kunnen benaderen en dat je, in een diverse en multiculturele wereld, nog steeds die stukjes kunt blijven lezen.’

Daarbij moet de scène er van de eerste zinnen staan: 'De openingszin is heel belangrijk. Vaak krijg je bijvoorbeeld een ontmoeting, waarbij je meteen de scène ziet waar de "ik" staat. (Carmiggelt: ‘Toen ik de kroeg wilde binnentreden, botste ik tegen de kastelein, die juist naar buiten kwam’, red.) Of je krijgt een soort van mijmering die meteen bepaalde vragen oproept (Bomans: ‘Mijn bezwaar tegen het Nederlandse toneel, is dat iedereen zo vreselijk zijn best doet’, red.).' 

'Op het einde is het dan de bedoeling dat je naar een soort van pointe toegaat, ofwel dat de lezer toch het gevoel krijgt van "hier moet ik verder over nadenken". Daarnaast is ook het gebruik van aforismen typisch voor het cursiefje, aldus De Geest: ‘oneliners zijn eigenlijk heel belangrijk. Het is geen toeval dat in boekjes met aforismen heel veel van die cursiefjesschrijvers terugkeren.'

Je beeld, je verhaal moet kloppen: idealiter kan je je cursiefje aan een schilder geven, en kan die er een coherent schilderij van maken

Voor de rest geldt voor het cursiefje wat voor alle teksten geldt. Alles staat of valt met eenheid. Zowel eenheid van inhoud en beeld, als eenheid van emotie. Je beeld, je verhaal moet kloppen. Idealiter kan je je cursiefje aan een schilder geven en kan die er een coherent schilderij van maken. Daarvoor moet het plaatje echter kloppen. Er mogen geen zaken zijn die elkaar tegenspreken. Er mogen ook geen zaken zijn die te veel uit de toon vallen. Daarnaast moeten alle elementen in je cursiefje min of meer hetzelfde register van gevoelens bespelen. Ook een gedicht dat voor de helft vrolijkheid en voor de helft afkeer oproept, heeft weinig kans op slagen.

Taal met de grote T

De traditionele cursiefjesschrijvers blonken daarnaast ook uit in zorgvuldig taalgebruik. Goed en correct woordgebruik is daarbij enorm belangrijk - iets waar Bomans ook erg aan hield. Elk woord roept een complex en fijngevoelig web van ideeën en associaties op. Een goed schrijver hoort dat web te kennen en het woord in functie daarvan juist te gebruiken. Slordigheid met betekenis creëert verwarring en vervuilt uiteindelijk ook de taal. 

Die deugd van taalzorgvuldigheid zijn we echter verloren, vindt De Geest: ‘We leven in een tijd waarin gepleit wordt, niet voor zorgvuldige taal, laat staan gekunstelde taal, maar waarin zelfs docenten hier in het dialect lesgeven. Vroeger dacht men dat als je wil werken aan de emancipatie van de mensen, taal daarvoor het middel bij uitstek is. Als je je taal goed beheerst, dan wordt je denken helder. Literatuur is een van de vormen om die taal eigenlijk verder bij te spijkeren, want daarin wordt die taal geëxploreerd.’

Een nieuwe generatie cursiefjesschrijvers heeft misschien de kans die schoonheid van de taal terug op de kaart te zetten. Wie cursiefjes schrijft, moet denken als een dromenvanger: uit de voortdurende stroom van feiten en verhalen moeten de mooiste worden tegengehouden. En vastgehouden, voor ze vervliegen en vergeten worden. In een mooi spreekwoordelijk kader. 

In tijden waarin informatiestromen sneller gaan dan ooit is dat geen overbodige luxe. Zo besluit ook De Geest: ‘Kranten moeten op papier wat anders publiceren dan online. Als ze daar niet snel in slagen, dan is de kans groot dat hun bestaan in het gedrang komt. Je ziet nu al dat ze op papier meer synthesestukken en achtergrond geven, maar het zou best kunnen dat zo’n cursiefje opnieuw een argument kan worden om een papieren krant te kopen.’ De boodschap is dus duidelijk: ‘Ik denk dat als er vandaag opnieuw grote cursiefjesschrijvers rechtstaan, dat de kans heel erg groot is dat die snel een podium zullen vinden.’

In het laatste nummer van deze Veto gooit de opinieredactie het over een andere boeg. We buigen ons over een genre dat maar half aan het opiniekatern behoort, maar tegelijk een van haar grootste verwezenlijkingen is: het cursiefje. 

Het wat? Het cursiefje, enkele decennia wijdverspreid in allerlei media, is vandaag helaas naar de achtergrond verdwenen. Eerst gaan we in op wat het genre juist is, wat een goed cursiefje maakt, en waarom het dringend tijd is om het genre waar wij verliefd op zijn nieuw leven in te blazen. Daarna gaan we zelf de uitdaging aan.