Interview met Fikry El Azzouzi

“Veel Vlaamse schrijver lijken op elkaar, het heeft iets incestueus”

07 december 2015
Interview
Auteur(s): Margot De Boeck
Fikry El Azzouzi is schrijver, theatermaker en werkt aan een langspeelfilm. In zijn tweede roman “Drarrie in de nacht” gebruikt hij prominent straattaal uit het Arabisch.

In taverne De Cipierskelder in zijn heimat Sint-Niklaas vertelt El Azzouzi over zijn werk. Of hij een speciale band heeft met het ietwat bizarre ondergrondse café? “Alles is voor mij een personage of een decor, ook deze plek,” lacht hij.

Onlangs won u de Arkprijs voor de vrijheid van denken. Wat maakt uw denken vrijer dan dat van anderen?

Fikry El Azzouzi: «Ik neem bij niets een blad voor de mond. Ik ben altijd kritisch geweest tegenover het westen en tegenover de islam.»

Mijn columns in De Morgen lokten haatreacties uit

Fikry El Azzouzi

Tot nu toe won geen enkele vrouw. Ondermijnt de prijs zo zichzelf niet?

El Azzouzi: «De prijs mag zichzelf inderdaad in vraag stellen. Er was een hele hetze omdat ik een speech wilde laten geven door de vrouw van BOEH! (Baas Over Eigen Hoofd, een feministische organisatie die pleit voor de vrije keuze over het dragen van de hoofddoek, red.). Als zij niet had mogen spreken had ik de prijs niet aanvaard.»

Blanke schrijversklasse

U hebt zelf Marokkaanse roots. Dat weerspiegelt zich in uw oeuvre. In hoeverre is uw werk autobiografisch?

El Azzouzi: «Een klein deel is autobiografisch, een deel is erbij verzonnen. Het is mijn doel om een wereld te tonen aan de blanke Vlaamse lezer. Wanneer we over 100 jaar terugkijken en er alleen verhalen van Saskia De Coster of Tom Lanoye zouden zijn, dan strookt dat niet met hoe superdivers onze samenleving nu is.»

«Als ik wil scoren moet ik het exotisch aanpakken en een liefdesverhaal schrijven tussen een Marokkaanse en een Vlaming. Maar daar kies ik bewust niet voor.»

Gelooft u dat er een verschuiving op til is in de eenzijdige groep van Vlaamse blanke schrijvers?

El Azzouzi: «Ik heb de indruk dat veel schrijvers – Lanoye uitgezonderd – allemaal een beetje op elkaar lijken. Ze schrijven hetzelfde, ze gedragen zich hetzelfde. Het heeft iets incestueus.»

«Er zijn nog Rachida Lambaret en Ish Ait Hamou, maar dat is te weinig. Die verandering kan gebeuren over twee, maar even goed over twintig jaar.»

Hoe bent u begonnen met schrijven?

El Azzouzi: «Dat was een ingeving. Ik begon met kortverhalen en columns. Ik had dertig pagina’s van Het Schapenfeest (Azzouzi’s debuut, red.) opgestuurd naar een uitgeverij, maar die werden geweigerd. Dat was een dreun, maar ik ben blijven schrijven en later had ik wel een positief antwoord. Vanuit het schrijven ben ik daarna ook in het theater gestapt.»

U bent een voltijds kunstenaar. Toch staat u niet in de katern cultuur, maar wel in de katern sociaal van deze krant. Vindt u dat niet tekenend voor de manier waarop media nog steeds nieuwe Belgen weergeven?

El Azzouzi: «Ik ben sociaal geëngageerd, misschien is het ook daarom. Ik schreef twee jaar lang columns voor De Morgen, die veel haatreacties uitlokten. Ik had het gevoel dat ze niet konden omgaan met de Marokkaanse jongen die het hen even kwam uitleggen.»

«Twee weken geleden was ik op een debat. Het ging over Shakespeare en ik stelde me daar kritische vragen bij. Dat stootte op verongelijkte reacties bij de anderen. Ik vroeg me af of ik meer was gehoord als ik een blanke man was geweest.»

Street credibility

De titel van uw tweede boek is “Drarrie in de nacht”. Straattaal in literatuur lijkt geen evidente keuze.

El Azzouzi: «Drarrie is straattaal voor gast. Het heeft een positieve lading, want dan heb je een vorm van street credibility. Ik vind het de beste keuze, omdat de jongeren over wie het gaat die woorden gebruiken. De drarries zijn niet de lezers. Ik wist dat de lezers konden afhaken en dat het geen goede marketing was.»

Ook schattige blonde meisjes gebruiken straattaal uit het Arabisch

Fikry El Azzouzi

«Vlaanderen evolueert in taal. Leenwoorden moeten niet meer alleen uit het Engels komen. Schattige blonde meisjes gebruiken die woorden uit het Arabisch overigens ook.»

Auteur Abdelkader Benali vertelde eerder over het verschijnen van “De Duivelsverzen” van Salman Rushdie. Voor het eerst voelde hij zich in geen van beide culturen, de Nederlandse en de Marokkaanse, thuis. Herinnert u zich ook zo’n moment?

El Azzouzi: «Ik heb confrontaties gehad, maar kon dat goed van me laten afglijden. Schrijver zijn is in de Marokkaanse gemeenschap geen evidentie. Mijn ouders zijn analfabeten. In mijn beginperiode als schrijver vertelde ik het aan niemand. Plots lag mijn boek in de winkel.»

Helpt literatuur u om met die vloeibare identiteit om te gaan?

El Azzouzi: «Toen ik het boek De Hongerjaren van Mohamed Choukri las over het einde van de jaren zestig in Marokko, kon ik mij perfect verplaatsen in de wereld van mijn ouders en hoe zij hadden afgezien. Omdat ze Berbers waren, werden ze gediscrimineerd door de koning en trokken ze naar Europa om er als goedkope arbeidskrachten te werken.»

«In Marokko is de koning een echte Zonnekoning. Ik hou mijn hart vast voor als er ooit een revolutie uitbreekt. Ik merk dat ik bang ben als ik naar Marokko ga, want ik lever af en toe wel kritiek.»

«Ook een schrijver zoals Tom Lanoye heeft een invloed op mij gehad. Hij heeft veel voor de holebi’s gedaan. Ik ben zelf hetero, maar door één van zijn columns heb ik mijn gedachten over het man-vrouwgezin bijgesteld.»

U leest veel, maar u blijft bovenal een schrijver?

El Azzouzi: «Ik neem altijd alles op en dat kan heel vermoeiend zijn. Alles is voor mij een personage of een decor. Dat deze kelder onder de grond ligt, zorgt ervoor dat ik niet te veel afgeleid raak (lacht)