De stilte bij zelfdoding

“We mogen de toekomstige zorg niet hypothekeren”

25 April 2016
Voorbeschouwing
Zwijgen wanneer een leven op het spel staat: het lijkt niet te rijmen. Toch kunnen hulpverleners die suïcidale patiënten behandelen, niet zomaar een uitzondering maken op het beroepsgeheim.

Op uitnodiging van het Overlegcentrum voor Ethiek van de KU Leuven debatteren academici en specialisten uit het werkveld donderdag 28/04 over zwijgplicht in het geval van zelfdoding. Ze buigen zich over een moeilijke evenwichtsoefening tussen de autonomie van de betrokkene, de onmacht van de omgeving en de vertrouwensband met de hulpverlener.

“Zo’n 0,005 tot 0,010% van een samenleving pleegt suïcide, en er is geen enkele cultuur die erin slaagt om suïcides volledig te bannen,” stelt Ronny Bruffaerts van de onderzoeksgroep Psychiatrie van de KU Leuven. Het doorbreken van de zwijgplicht zal de onvermijdelijkheid van het fenomeen niet meteen verhelpen. Toch is de discussie, zeker voor nabestaanden, terecht.

Lage drempel

Juridisch gezien heeft elke patiënt “recht op respect voor zijn intimiteit”. “De wet stelt momenteel personen met suïcidale ideatie (denken aan zelfdoding, red.) voorop. Transparantie naar de omgeving toe zou kunnen leiden tot een vrees bij patiënten om bepaalde informatie met de hulpverleners te delen. De drempel om professionele hulp te zoeken, mag niet te hoog worden,” meent Edward Van Rossen, directeur van de Psychologencommissie.

"De drempel om professionele hulp te zoeken, mag niet te hoog worden"

Edward Van Rossen, directeur van de Psychologencommissie

Kirsten Pauwels, directeur van het Centrum ter Preventie van Zelfdoding en bestuurslid van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie, ervaart dat de eerste stap naar hulp al zwaar genoeg is. “Ik merk dat er nog een groot taboe rond zelfdoding heerst en dat mensen vaak een zekere schroom voelen wat betreft hun gedachten over zelfdoding.”

Bruffaerts twijfelt of het doorbreken van de zwijgplicht het aantal zelfdodingen überhaupt naar beneden kan halen. “Men veronderstelt dat men zo een suïcide kan voorkomen,” legt hij uit. “Uiteindelijk kan je die niet voorspellen, zelfs als je alle gekende risicofactoren bij elkaar zou leggen. Waarom dan de vertrouwensband met de patiënt schenden?”

Zwijgplicht verbreken in geval van een “ernstige dreiging” is ook geen simpele zaak. Volgens Bruffaerts valt het begrip moeilijk af te bakenen. “Waar stopt het dan? Vanaf welk punt moet je mensen inlichten? De zwijgplicht opheffen tegen de wil van de patiënt in? En het is dan ook niet eenduidig wie je dan standaard dient in te lichten. Bij sommige patiënten is suïcidale ideatie ernstig, bij anderen is dat van voorbijgaande aard. Tien procent van de Belgische bevolking heeft op jaarbasis een doodswens, maar dat is niet steeds een actieve drang.”

"Uiteindelijk kan je suïcide niet voorspellen"

Ronny Bruffaerts, onderzoeksgroep Psychiatrie (KU Leuven)

Verantwoordelijkheid

Bovendien wijst de professor op de enorme verantwoordelijkheid waarmee je de naasten in dat geval opzadelt: “Als de patiënt dan toch suïcide pleegt, dan blijven zij achter met een ongelofelijk schuldgevoel. Na een zelfdoding rest altijd de vraag of ze meer hadden kunnen doen.” Pauwels merkt op dat die kwestie vaak nog gevoeliger ligt bij jongeren. “Ouders zijn vaak zelf een klein onderdeel van het complexe probleem dat jongeren ervaren.”

Aan de andere kant kan de omgeving van de patiënt wel degelijk de kans op zelfdoding helpen verkleinen. “Enerzijds kunnen zij mee het plaatje vervolledigen,” legt Livia Anquinet van Werkgroep Verder uit, “door aandachtig te zijn voor mogelijke aanleidingen en risicosituaties. Anderzijds kunnen zij bijvoorbeeld dodelijke middelen uit de woonst verwijderen.”

Om die reden stimuleren hulpverleners in de mate van het mogelijke de betrokkenheid van familie en/of naasten in geval van suïcidale neigingen. “Ik probeer dat zo open mogelijk te bespreken,” vertelt Bruffaerts uit eigen ervaring op de opnameafdeling. “Als zijn omgeving op gesprek komt, nodig ik de patiënt uit om het daar ook over te hebben. Maar ik kan dat niet verplichten.”

Dat het initiatief bij de patient moet liggen, bevestigt Pauwels, “maar van ons uit als hulpverleners is het een sterke aanbeveling.” Ook Anquinet is het daarmee eens: “Als je als hulpverlener het betrekken van de omgeving goed kan kaderen, gaan patiënten daar meestal wel in mee.”

"Na een zelfdoding rest bij naasten altijd de vraag of ze meer hadden kunnen doen"

Ronny Bruffaerts, Onderzoeksgroep Psychiatrie (KU Leuven)

Voor haar gaat die omgeving bovendien over meer dan enkel familie. “Een huisarts is belangrijk in het kader van medicatiebeleid. Wanneer mensen slaapmiddelen of antidepressiva gebruiken, heeft hij best weet van de psychologische problemen.”

Toch kan dat eerder symptoombestrijding lijken. “Dat zal misschien op korte termijn helpen, maar op lange termijn is dat helemaal niet zeker,” denkt Bruffaerts. “Het is niet zo dat de partner, familie of anderen die suïcide kan blijven tegenhouden.”

Na overlijden

Ook na een zelfdoding blijft de zwijgplicht van kracht. Nabestaanden kunnen bij de behandelende hulpverlener aankloppen, maar krijgen niet vanzelfsprekend antwoord op al hun vragen.

“We moeten de wens van de patiënt respecteren. Daarvan kunnen we niet afwijken omwille van een te begrijpen wens van een nabestaande,” vindt Van Rossen. “Dat zou de toekomstige zorg voor andere personen die suïcidaal zijn of met moeilijkheden kampen, hypothekeren. Ook mensen die gevoelige informatie mee in het graf willen nemen, moeten bij een zorgverlener terecht kunnen en op zijn zwijgplicht kunnen vertrouwen.”

Niettemin ziet Van Rossen het belang in van een goede begeleiding van de omringenden in hun rouwproces. “Het is wel mogelijk om een regeling te vinden met een externe partij, zoals een andere zorgverlener. Hij kan de vragen van de nabestaanden voorleggen aan de zorgverlener die de overledene opvolgde, en samen overleggen ze welke informatie kan worden doorgegeven.”

"Nabestaanden hebben vaak het meeste nood aan een luisterend oor"

Livia Anquinet, Werkgroep Verder

Ook Werkgroep Verder hecht veel waarde aan een gesprek tussen de zorgverleners en de omgeving na het overlijden. Anquinet: “Het gaat dan om een open gesprek waarin niet per se gegevens uit het dossier worden gedeeld. Het verhaal en de vragen van de nabestaanden staan centraal. Meestal doet dat al heel veel, vaak hebben zij het meeste nood aan een luisterend oor.”

“Soms had de omgeving immers zelf al signalen opgevangen,” verklaart Anquinet, “en dan kan het helpen om samen met de hulpverleners het verhaal deels te reconstrueren. Wanneer dat niet gebeurt, blijven de nabestaanden met een wrang gevoel achter en stellen ze zich misschien vragen bij de hulpverlening. In het kader van het rouwproces is het belangrijk om dat te vermijden.”

“Een andere kwestie is of een zorgverlener met de patiënt moet bespreken wat hij naar familie toe mag communiceren in geval van een overlijden,” merkt Van Rossen op. “Onderzoek moet nog uitwijzen of dat wel combineerbaar is met het therapeutisch proces. Hoe ervaart de betrokken patiënt het om daarover te praten, op een moment waarop hij eigenlijk mentaal moet focussen op het perspectief van overleven? Zo’n gesprek is niet zonder risico.”

Zelf vragen over zelfdoding? Je kan anoniem en gratis terecht op het nummer 1813.

Zelf vragen over zelfdoding? Je kan anoniem en gratis terecht op het nummer 1813.

Het Overlegcentrum voor Ethiek van de KU Leuven organiseert op donderdag 28 april om 18 uur in het Hollands College (Paterdamiaanplein 9, 3000 Leuven) een avonddebat over zelfdoding en zwijgplicht. Deelname is gratis. Vooraf inschrijven via http://www.kuleuven.be/hollandscollege/agenda.

De Psychologencommissie is een overheidsinstantie bevoegd voor de verplichte titelerkenning en de deontologische code voor psychologen. Enkel erkende psychologen zijn gebonden aan die juridisch afdwingbare code. Wanneer die geschonden wordt, kunnen patiënten van psychologen een klacht indienen bij de Psychologencommissie.