Centrale examens: 'Ja, maar nee, maar ja'

Onderwijsdebat

02 mei 2019
Artikel
Auteur(s): Tijs Keukeleire
Onder het houten dak van de Faculty Club kruisten de onderwijskopstukken van de vijf grootste partijen de degens. Of eerder de pool noodles.

Het debat vond plaats op een studiedag georganiseerd naar aanleiding van de publicatie van De vrijheid van onderwijs, het doctoraat van jurist Johan Lievens. Daarin bestudeert hij onder andere de juridische haalbaarheid van verschillende onderwijsvernieuwingen.

Uit de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement tekende Koen Daniëls (N-VA, ook wel ‘schaduwminister van Onderwijs’) present, samen met Caroline Gennez (sp.a), Jo De Ro (Open VLD) en Jan Durnez (CD&V). Brussels parlementslid Bruno De Lille was aanwezig voor Groen.

Boeiend was dat de parlementsleden het achterste van hun tong lieten zien. Zo zei Jo De Ro (Open VLD) droogjes dat hij persoonlijk geen voorstander was van centrale examens – een voorstel dat zijn voorzitter Gwendolyn Rutten een week ervoor nog uitgebreid in de media had voorgesteld.

Zijn deze ‘centrale examens’ meer dan een grootschalige peilingsproef?

Jo De Ro zei erna echter dat ‘de voordelen tegen de nadelen moeten worden afgewogen.’ Hij verwees naar de recentste Onderwijsspiegel, die stelt dat testen en toetsen in Vlaanderen van slechte kwaliteit zijn. ‘Misschien moeten we dan op zoek naar iets anders.’

Verspilling van data

Hierna begon een discussie waarin de definitie van ‘centrale examens’ werd opgerekt en ingeperkt als een versleten elastiekje. Aan tafel bleek N-VA de grootste fan van deze examens.

Volgens Koen Daniëls zijn er twee grote misvattingen over centrale examens. ‘Eén: we steken alle studenten op de Heizel, één moment, alles of niets. En twee: het is een motie van wantrouwen tegen de leerkracht.’

‘Als leerkracht vond ik cijfers uit onderzoeken echt gewéldig, dan kon ik zien waar mijn school echt stond.’

Koen Daniëls (N-VA)

Daniëls gaf de mening te kennen dat we te afhankelijk zijn geworden van internationale onderzoeken als PISA en dat Vlaanderen zelf actief zijn kwaliteit moet onderzoeken. Wat de discussie bij het volgende punt bracht: zijn deze ‘centrale examens’ meer dan een grootschalige peilingsproef?

Jan Durnez (CD&V) kon zich vinden in een vorm van gevalideerde ijkingsproeven aan het einde van elke graad. Die zouden niet als evaluatievorm voor individuele leerlingen dienen, maar als instrument voor de kwaliteitszorg van de school. 

Daniëls vond dat dan weer een verspilling van de data: ‘Als leerkracht vond ik cijfers uit onderzoeken gewéldig, dan kon ik zien waar mijn school echt stond.’

Leerwinst

Een element waar alle gesprekspartners het over eens waren, was dat de centrale examens niet bij één moment mochten blijven maar een proces moesten beschrijven. Wat de leerling in een school bijleert is van belang. Anders hebben de scholen met de sterkste instroom zonder meer de sterkste resultaten.

Bruno De Lille (Groen) gaf wat dat betreft een mooie illustratie. ‘In Brussel zijn er een paar elitescholen, ook al krijgen zij door het inschrijvingssysteem dezelfde instroom als andere scholen. Maar onderweg gooien ze een heel groot deel van hun studenten eruit.’

De Ro legde daarna wel de vinger op de wonde: op dit moment is er nog geen formule om leerwinst te meten. Hij nodigde de academische wereld van harte uit om daaraan te werken.