Boffen met middelen: basisfinanciering niet voor morgen

'Ik heb nog geen enkel goed argument gehoord of gelezen'

06 maart 2018
Artikel
Basisfinanciering was een van de grote campagnethema’s tijdens de rectorverkiezingen. Maar nu Luc Sels ook effectief rector is, lijkt implementatie verre van zeker.

Basisfinanciering is terug van nooit weggeweest. Vorig academiejaar ondertekenden 371 academici van de KU Leuven een open brief die in Veto werd gepubliceerd. De ondertekenaars pleitten ervoor om een deel van de BOF-middelen aan te wenden voor, wat zij noemden, basisfinanciering. Die interne middelen zouden volgens dat systeem niet langer (louter) competitief worden herverdeeld.

De brief werd niet toevallig publiek gemaakt eind april 2017, een paar weken voor de rectorverkiezingen. Beide rectorkandidaten namen een zekere vorm van basisfinanciering mee in hun campagne. Basisfinanciering dus - al is aan de initiatiefnemers ondertussen gevraagd die term niet meer te gebruiken ‘omdat er te veel verschillende zaken onder verstaan zou worden.’ Dat vat de discussie over een vorm van fundamentele financiering mooi samen: onenigheid troef.

Competitief, et alors?

Kerngedachte van de brief was de volgende: ‘Wij vragen geen gelijkmatige verdeling van alle BOF-middelen over alle professoren, noch een afschaffing van elk competitief model.'

'Wel vragen we een voldoende spreiding van de BOF-middelen zodat iedereen die onderzoek doet daar ook middelen voor krijgt. Dat is rechtvaardiger en het maakt de positie van onze universiteit en onze onderzoekers sterker.’

Het grote doel van de fundamentele financiering, is om interne competitie uit te sluiten en zo hopelijk meer ruimte te creëren voor externe competitie. Volgens vicerector Onderzoeksbeleid Reine Meylaerts valt dat momenteel echter al goed mee. ‘Voor de interne fondsen ligt het slaagpercentage tussen 35 en 50%, wat me een heel redelijke en gezonde vorm van competitie lijkt.’

'Zo geeft ze aan een beperkt aantal onderzoekers een behoorlijke som geld'

Andreas De Block

Daar is Andreas De Block, vicedecaan Onderzoek aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte en trekker van het initiatief, het niet mee eens. ‘De BOF-middelen worden nu verdeeld onder de Vlaamse onderzoeksinstellingen op basis van onderzoeksoutput. Elke onderzoeker draagt daaraan bij.’

De universiteit verdeelt dat geld echter niet op basis van wie wat aanleverde met zijn of haar onderzoek, maar organiseert vervolgens een interne competitie. ‘Zo geeft ze aan een beperkt aantal onderzoekers een behoorlijke som geld’, hekelt De Block. ‘Dat maakt dat een groot deel van het ZAP (Zelfstandig Academisch Personeel, ‘de proffen’, red.) niet beschikt over BOF-middelen om onderzoek te doen, terwijl ze wel bijdragen aan de BOF-middelen.’

Publicatiedruk

Die forse competitie zorgt volgens De Block voor veel extra werk, zoals het schrijven van aanvragen. ‘Dat leidt dus niet zelden tot een actieve vernietiging van onderzoeksmiddelen.’ Meylaerts is het daar niet mee eens: ‘Projecten schrijven wordt vaak gelijkgesteld met puur tijdverlies, terwijl je dan juist aan het nadenken bent over je onderzoek en de toekomst ervan. Dat gelijkstellen vind ik bijzonder kort door de bocht.’

Ook op vlak van wetenschappelijke integriteit heeft zo’n rat race gevolgen, stelt de Block. ‘In de humane wetenschappen is het vaak zo dat de enige manier om je onderzoek te kunnen financieren, te doen is alsof het allemaal projectonderzoek is. In die aanvragen wordt dan vaak onderzoek gerecycleerd dat al gebeurd is, maar nog niet werd gepubliceerd.’

Een probleem dat Ortwin de Graef, vicedecaan Onderzoek aan de faculteit Letteren, onderschrijft. ‘Dat is een beetje de logica van het groeifundamentalisme en het geïnstitutionaliseerd wantrouwen. Van wie een tijdje niet productief is, wordt aangenomen dat hij of zij aan het lanterfanten is. Dat is een zorgwekkende evolutie’, waarschuwt hij.

Keurslijf

Het huidige financieringsmodel bemoeilijkt volgens critici anderzijds de mogelijkheid van grensverleggend of ‘Blue Sky’-onderzoek. Het zou risicomijdend gedrag belonen en innovatie tegengaan. ‘Het keurslijf van de projectaanvragen is niet geschikt voor ‘Blue Sky’. Al onze onderzoekers zijn verstandig genoeg om goede projecten te schrijven’, hekelt De Block.

'In de feiten worden die budgetten disproportioneel zelden aan Letteren toegekend. Daar worden wij boos van'

Ortwin de Graef

‘Dat betekent dat er bij de selectie met hele kleine dingen rekening wordt gehouden. Je kan je voorstellen dat innovatief onderzoek vaak op meer voorbehoud stuit bij referenten en daardoor minder kans maakt.’ Hetzelfde geldt volgens de vicedecaan voor belangrijk onderzoek dat veel tijd vergt, aangezien projectsubsidies vaak gelden voor beperkte periodes van 2 tot 6 jaar.

Een ander probleem is dat sommige onderzoekers meer afhankelijk zijn van interne fondsen dan anderen. ‘Voor ons is het moeilijker om met de bedrijfswereld samen te werken’, stelt de Graef. Ook Europese subsidies lopen ze bij Letteren vaak mis. ‘In grote Europese kaderprojectenprogramma’s worden maatschappelijke problemen - die uiteraard opgelost moeten worden - centraal gesteld’, geeft hij aan. Maar dat heeft tot gevolg dat onderzoeksvoorstellen enkel succesvol worden ingediend als zij op die vragen een antwoord bieden. En dat gaat dan weer ten koste van bottom up onderzoek.

Een trend die zich volgens de Graef ook voortzet in het FWO (Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, red.). ‘Ook daar begint men societal challenges meer en meer op de agenda te zetten als voorwaarde voor financiering.’ Dat baart de faculteit Letteren zorgen. ‘Je hoeft maar te kijken naar wat er met Europa gebeurd is: onze disciplines zouden een grote rol kunnen spelen in het oplossen van die challenges, maar in de feiten worden die budgetten disproportioneel zelden aan Letteren toegekend. Daar worden wij boos van.’ Basisfinanciering zou aan deze tendensen dus tegemoet kunnen komen.

Nieuw beleid, oud gebruik

Duidelijk is dat het huidige beleid van rector Luc Sels niet gewonnen is voor een idee van basisfinanciering zoals die werd voorgesteld. Wel zien ze heil in werkingskrediet en startfinanciering. Dat laatste systeem bestaat sinds 2016, waarbij nieuwe aanwinsten van het proffenkorps geld krijgen om op zijn minst een onderzoek te kunnen opstarten.

Aanvullend wordt nu gewerkt aan een werkingskrediet. Dat systeem is echter vrij beperkt en moet vooral remediëren tegen schrijnende toestanden waarbij proffen niet eens genoeg geld zouden hebben om een laptop te kopen of op congres te gaan.

'Zeggen dat je het onderzoeksgeld per hoofd moet verdelen en dat dan alles opgelost is, dat is te eenvoudig'

Reine Meylaerts, vicedecaan Onderzoeksbeleid

Maar basisfinanciering is een brug te ver. Meylaerts is het plan, net zoals haar voorganger Liliane Schoofs, niet genegen. Zo ziet ze niet hoe dit de publicatiedruk kan oplossen. Ze linkt dat probleem aan andere elementen dan de interne financieringswijze. ‘Zeggen dat je het onderzoeksgeld per hoofd moet verdelen en dat dan alles opgelost is, dat is te eenvoudig. Ik heb daar nog geen enkel goed argument voor gehoord of gelezen.’

Dat is een karikaturale weergave van het plan, vinden de initiatiefnemers. Ze benadrukken dat er geen egalitaire verdelingssleutel hoeft te zijn. ‘Je kunt perfect trappen voorzien naarmate de kwaliteit van het onderzoek, een verdeelsleutel hebben naar kostprijs of een onderscheid maken tussen experimenteel en niet-experimenteel onderzoek’, zegt professor Zeger Debyser, een van de voorvechters van het plan.

‘De bedoeling was nooit om het geld evenredig te verdelen over al het ZAP, de bedoeling is nog steeds dat het onderzoek van meer excellente onderzoekers beter wordt gefinancierd dan degenen die wat minder onderzoeksactief zijn’, voegt De Block daaraan toe.

Onderzoek naar onderzoek

Tegenstanders van basisfinanciering halen aan dat die gepaard zou gaan met kwaliteitsverlies. Onderzoek van Krist Vaesen (TU Eindhoven) lijkt dat nochtans tegen te spreken. Belangrijkste conclusie is dat zelfs wie een vast bedrag krijgt, er nog steeds voor moet zorgen dat zijn of haar artikelen worden gepubliceerd. Zelfs binnen basisfinanciering zijn er nog tal van filters en kwaliteitseisen waaraan voldaan moet worden.

‘Wij hebben in ons onderzoek eens gekeken naar de bedragen die op dit moment worden verdeeld via competitie en dat gedeeld door het aantal onderzoekers dat er in Nederland, het VK en de VS zijn. We zagen dat elke onderzoeker in Nederland eigenlijk een vrij substantieel bedrag zou kunnen bekomen. Zonder een aanvraag te hoeven indienen, waardoor ze ook meer tijd hebben om onderzoek te doen.’

Maar die argumenten acht Meylaerts niet overtuigend. ‘Die studies kun je niet zomaar een op een vergelijken met de situatie in Vlaanderen’, countert de vicerector.

'De discussie verloopt nog stroef, maar ik ga diplomatisch blijven, want ik ben nog altijd in de blijde verwachting dat het ervan komt'

Zeger Debyser

Frustratie

Dat het nieuwe beleid kritisch is voor het plan, leidt tot frustratie. Zo had Sels een werkgroep beloofd om het voorstel, dat hij in deze krant ‘knap en inspirerend’ noemde, uit te werken. Die werkgroep is er nog steeds niet. ‘De discussie verloopt nog stroef,’ zegt Debyser, ‘maar ik ga diplomatisch blijven, want ik ben nog altijd in de blijde verwachting dat het ervan komt.’

‘Het huidige bestuur maakt op dit ogenblik werk van een werkingsgarantie’, klinkt het bij De Block. ‘Mensen die werkelijk niets hebben en onderzoek doen, worden daarmee al uit de nood geholpen. Dat lijkt me een belangrijke eerste stap, maar daar mag het niet stoppen. We moeten de middelen in het algemeen meer en beter spreiden.’

BOF-middelen: WTF?

BOF-middelen zijn middelen die alle universiteiten krijgen van de Vlaamse overheid voor onderzoek. Ze worden toegekend op een aantal parameters, zoals het aantal afgeleverde doctoraten en het aandeel in publicaties. Intern worden die middelen weer herverdeeld volgens een competitief systeem waarbij onderzoekers aanvragen voor projecten moeten indienen.