Amateurkunsten zoeken toenadering tot professionele milieu

“Je bent als amateur niet minder kunstenaar”

18 april 2016
Artikel
Auteur(s): Heidi Van Rompuy
De amateurkunsten professionaliseren. Neerkijken op liefhebberskunst lijkt voorbij. Toch blijft een onderscheid met professionele kunsten nodig, klinkt het. “Die hebben een eigen opdracht.”

"De relatie tussen het amateur circuit en de professionele sector verschilt per discipline," vertelt Elke Verhaeghe van het Forum voor Amateurkunsten. “In de muzieksector heb je al sneller mensen die willen doorgroeien naar een bredere bekendheid." Bij theater ligt dat anders, vertelt ze: "Daar speelt het sociale aspect een belangrijke rol. Die mensen spelen samen in een groep omdat het hen ontspant en gelukkig maakt.”

Veel hangt af van waar je uiteindelijk naartoe wil met je artistieke uitspattingen, vindt ook Stijn Devillé, artistiek leider van het nieuwstedelijk: “Er zijn verschillen in engagement. Voor sommigen is het pintje na de voorstelling even belangrijk als de repetitie. Anderen willen dan weer echt kunst maken.”

“Al is het niet omdat iemand er zijn brood niet mee verdient dat hij minder kunstenaar is,” vindt Devillé, die zelf ooit als amateur begon. “Die persoon heeft in zijn leven gewoon andere keuzes gemaakt dan iemand die het voor de kost doet.”

Bruisend

De Vlaamse amateurkunsten bruisen in elk geval meer dan ooit. Ook Leuven staat het komend weekend met het stadsfestival Amateurama in het teken van de amateurkunstenaar. “We zitten op dit moment met meer dan negentig verenigingen in de deelraad amateurkunsten,” vertelt voorzitter Oktaaf Duerinckx trots. "De Leuvense amateursector leeft."

Ook Vlaanderenbreed doet het culturele liefhebberscircuit het goed. “Op dit moment zijn er ongeveer duizend toneelgroepen bij ons aangesloten, goed voor zo'n 30.000 leden,” vertelt Joke Quaghebeur, directeur van Opendoek, de koepelorganisatie voor Vlaams amateurtheater (zie kader).

De tijd dat er nog laatdunkend werd gelachen met de term “amateurvereniging,” lijkt voorbij. Iedereen doet aan amateurkunsten, al blijkt de ene daar al iets trotser op dan de andere. “Sommige disciplines, zoals de beeldende kunstenaars of schrijvers, hebben het nog steeds moeilijk met het woord amateur,” vertelt Elke Verhaeghe van het Forum voor Amateurkunsten. “In andere disciplines zijn ze echter net trots op de term, die verwijst naar amare, houden van.”

"Voor sommigen is het pintje achteraf even belangrijk als de repetitie"

Stijn Devillé, het nieuwstedelijk

Professionalisering

Volgens Verhaeghe wordt de strikte scheiding tussen amateurs en professionele kunstenaars in de praktijk steeds kleiner. Daar zijn verschillende redenen voor, vertelt ze: “De basisopdeling tussen beiden is vaak gesteund op het financiële. Amateurs krijgen echter tegenwoordig soms ook vergoedingen voor bijvoorbeeld vervoerskosten.”

Daarnaast zijn de erkende koepelorganisaties voor de amateurskunsten, zoals OPENDOEK (zie kader), zich steeds meer gaan professionaliseren, meent Verhaeghe: “Ze trekken mensen aan met kennis uit het deeltijdskunstonderwijs (DKO) of uit de professionele kunsten. Die zitten dan in hun adviesgroepen, of worden ingezet voor coaching.”

Ook vanuit het professionele milieu zijn er inspanningen geleverd om de kloof te verkleinen, vindt Devillé: “Steeds meer organisaties zetten zich in voor kunsteducatie of sociaal-artistiek werk. Of kijk bijvoorbeeld naar organisaties zoals fABULEUS. Zij bieden jonge amateurs een professioneel kader aan om een voorstelling te maken.”

"Amateurs inzetten kan een besparingsreflex zijn"

Elke Verhaeghe, Forum voor Amateurkunsten

Bij OPENDOEK willen ze in elk geval blijven inzetten op de link tussen de twee werelden, vertelt Quaghebeur: “Er moet zeker nog meer toenadering komen tussen beide sectoren. Of dat nu op het vlak van professionele coaching is of amateurs die meedraaien in een productie, dat zijn allemaal interessante ontmoetingen.”

Eiland

Toch waarschuwt Verhaeghe ook voor de gevaren van die toenadering: “Het verkleinen van de kloof kan ook een besparingsreflex zijn. Amateurs kosten minder. Je moet er eerlijk over durven zijn wanneer het een opportunistische keuze is.”

Denise Vandevoort (sp.a), schepen van cultuur in Leuven, wijst bovendien op de eigen opdracht van beide domeinen: “Amateurs zijn en blijven amateurs, hoe waardevol ze ook zijn. De professionele kunstensector heeft bovendien andere opdrachten met de subsidies die ze van Vlaanderen krijgt. Ik kan cross-overs alleen maar toejuichen, maar snap dat dat niet altijd mogelijk is.”

"Amateurkunsten blijven een eiland"

Stijn Devillé, het nieuwstedelijk

“Amateurkunsten blijven nog steeds een eiland,” vindt ook Devillé. “Ze willen vooral zelf kunst beoefenen, wat het niet altijd gemakkelijk maakt hen in de professionele sector te betrekken. Het is niet omdat je zelf graag speelt, dat je ook graag gaat kijken, als je zelf niet op het podium staat.”

Dit artikel is onderdeel van het dossier Amateurkunsten. Het andere deel vind je hier.

WTF subsidiëring?

De financiering van amateurkunsten gebeurt op drie niveaus. Eerst en vooral subsidieert de Vlaamse overheid enkel de negen erkende landelijke amateurkunstenorganisaties, zoals OPENDOEK en Danspunt. Zij hebben de taak kunstenaars binnen hun discipline te ondersteunen. Daarnaast subsidieert de overheid ook het Forum voor Amateurkunsten, dat dienst doet als overlegcentrum en aanspreekpunt voor de hele amateursector.

Het tweede niveau, dat binnenkort verdwijnt (zie artikel), is het provinciale bestuursniveau. Zij delen subsidies uit aan de “betere” lokale kunstenaars. Dat gebeurt dat aan de hand van wedstrijdsystemen of projectsubsidies.

Tot slot is er het lokale bestuursniveau van steden en gemeenten. Verenigingen die bij de gemeenteraad zijn aangesloten, kunnen rekenen op een bijdrage.